Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia rosea

Sarracenia rosea | Roze trompetbekerplant

Een kwart eeuw geleden was dit nog gewoon de zuidelijke Sarracenia purpurea. In 1999 werd hij als eigen soort beschreven, en wie de twee naast elkaar ziet bloeien begrijpt waarom: waar de noorderling donker purperrood is, is deze roze, met bloembladen die als een rok over de stijlschijf hangen.

Sarracenia rosea (Roze trompetbekerplant)
Foto: Doug McGrady — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia rosea — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Doug McGrady — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia rosea — de bloem
De bloem · Foto: Jessica — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia rosea — de standplaats
De standplaats · Foto: Doug McGrady — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een liggende rozet van dikke, buikige bekers van 6 tot 28 cm lang en 2 tot 4 cm in doorsnede, met een brede vleugel. Ze staan half vol regenwater, want het deksel staat rechtop achter de mond in plaats van erboven. Dat deksel is bij deze soort opvallend breed, aan de rand sterk golvend en aan de basis vaak samengeknepen. De beker is groen met rode nerven, in de volle zon dieper rood aanlopend. In het vroege voorjaar staat er één knikkende bloem op een kale stengel: roze tot rozerood, met brede, spatelvormige kroonbladen die korter en veel breder zijn dan die van S. purpurea.

Gelijkende soorten

Alles draait om het onderscheid met S. purpurea, waarvan hij tot 1999 een variëteit was (var. burkii). Drie dingen helpen in het veld: de bloemkleur (roze tot rozerood tegenover donker purperrood), de vorm van de kroonbladen (breed en spatelvormig, korter dan de kelkbladen, tegenover smal en langer) en het deksel (breed, sterk golvend, met een samengeknepen basis tegenover smaller en vlakker). Daar komt de aardrijkskunde bij: S. rosea staat alleen aan de Golfkust, waar S. purpurea in zijn zuidelijke gedaante nauwelijks meer komt. Deze gids volgt POWO, die S. rosea als eigen soort aanvaardt; oudere boeken en veel foto-onderschriften noemen hem nog S. purpurea subsp. venosa var. burkii. S. psittacina, waarmee hij vaak samen staat, ligt platter en heeft een gesloten bolle kap.

De val en hoe hij werkt

Zoals bij zijn noordelijke zusje is de val een regenton. De beker vult zich met water, de mondrand geeft nectar en is glad, en de naar beneden gerichte haren op de binnenwand laten geen weg terug. Verteren doet de plant maar ten dele zelf: in het water leeft een gemeenschap van muggelarven, mijten en bacteriën die de prooi afbreekt, en de plant neemt op wat er vrijkomt. Omdat de bekers laag liggen, bestaat de vangst vooral uit lopende dieren — mieren, kevers, spinnen — en veel minder uit vliegend gedierte dan bij de rechtopstaande soorten. Bij hoog water staat de rozet soms wekenlang onder; de bekers gaan daar niet aan kapot.

Standplaats en ecologie

Natte savanne en natte flatwoods van de Golfkustvlakte, kwelhellingen op zand, en de randen van moerasjes en zinkgatvennen. Zure, natte, voedselarme grond met veenmos en zeggen, in de volle zon. Net als de andere bekerplanten van deze kust is hij afhankelijk van regelmatige brand: blijft het vuur uit, dan sluit het struweel zich en verdwijnt hij binnen enkele jaren.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de kustvlakte van de Golf van Mexico: zuidelijk Alabama, de Panhandle en het noorden van Florida, zuidelijk Georgia en zuidoostelijk Mississippi. Daarmee is dit een van de kleinere areaaltjes in het geslacht, en het valt vrijwel samen met de streek waar ook S. leucophylla en S. psittacina staan. Buiten dat gebied is hij nergens ingeburgerd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 11 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De opvallendste wilde vorm is var. luteola, een anthocyaanvrije plant met gele bloemen en geelgroene bekers zonder rood, bekend van enkele vindplaatsen in de Panhandle van Florida. Verder is de variatie in bekerkleur groot maar niet in vormen te vangen. Belangrijker voor wie in het veld staat zijn de natuurlijke hybriden: met S. leucophylla geeft hij S. × mitchelliana, met S. psittacina S. × courtii, met S. flava een plant die onder S. × catesbaei gaat. Op vindplaatsen waar drie of vier soorten door elkaar groeien zijn zulke kruisingen soms talrijker dan de ouders. Een plant met tussenkenmerken — half opgericht, deksel half over de mond — is bijna altijd een hybride en geen afwijkende soort.

Waar en wanneer te zien

Maart en april, als de roze bloemen boven het gras uitkomen en het vorige jaar nog niet is weggebrand. Zoek in natte savannen en langs de randen van moerasjes op de Golfkustvlakte, bij voorkeur op terrein dat kort geleden is gebrand: dan ligt het gras laag en zijn de rozetten te zien. De bekers liggen in het mos en vallen buiten de bloei nauwelijks op. Ga niet van het pad af in doorweekte veenbodem — je stapt de rozetten kapot zonder ze te zien.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de Rode Lijst; een wereldwijde beoordeling ontbreekt dus, wat bij een pas in 1999 beschreven soort niet verbaast. Wat wél bekend is: het leefgebied, de natte savanne van de Golfkustvlakte, is in een eeuw voor het overgrote deel verdwenen door ontwatering, aanplant van dennen en het uitblijven van brand, en de vindplaatsen liggen versnipperd. Stroperij voor de handel speelt bij het hele geslacht mee. Als Sarracenia valt hij onder CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Sarracenia rosea | Naczi, F.W. Case & R.B. Case, 1999

Robert F. C. Naczi, Frederick W. Case en Roberta B. Case beschreven de soort in 1999 in het tijdschrift Sida, op grond van populaties die eerder als variëteit van Sarracenia purpurea golden. De typelocatie ligt bij Theodore, Alabama, aan de Golfkust. De soortnaam rosea is Latijn voor 'roze' en verwijst naar de kleur van de bloemen; de auteurs kozen bewust een nieuwe naam boven de al bestaande variëteitsnaam burkii, om verwarring te voorkomen en de bloemkleur direct in de naam vast te leggen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.