Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia flava

Sarracenia flava | Gele trompetbekerplant

Yellow pitcher plant | Planta carnívora amarilla

De hoogste en de gelste van de kustvlakte: een bundel rechtopstaande gele trompetten van veertig tot zeventig centimeter, in maart al in bloei voordat het gras op gang komt. Geen andere soort kent zoveel wilde variëteiten — zeven — en op sommige vindplaatsen staan ze binnen één blikveld naast elkaar.

Sarracenia flava (Gele trompetbekerplant)
Foto: US Forest Service - Southern Region — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia flava — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Doug McGrady — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia flava — de standplaats
De standplaats · Foto: Tim Ross — Public domain · Wikimedia Commons

Kleurvormen

Sarracenia flava — var. ornata — fijn net van donkerrode adertjes over de hele beker
var. ornata — fijn net van donkerrode adertjes over de hele beker · Foto: Llez in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Rechtopstaande, trechtervormige bekers van 25 tot 90 cm, aan de voet smal en naar boven toe wijd uitlopend, met een smalle vleugel aan de voorkant. Vlak onder de mond is de beker vaak iets ingesnoerd — de 'hals' — en daarboven staat een rond, golvend deksel dat breder is dan de mond en er hoog boven wordt gehouden, zodat er weinig regen in komt. De grondkleur is geel tot geelgroen; bij de meeste planten zit binnen in de keel een donkerrode vlek, en bij sommige variëteiten loopt rood aderwerk over de hele buitenkant. De bloem komt vóór de bekers: helder geel, hangend aan een kale stengel, met lange slappe kroonbladen over de paraplu­vormige stijlschijf. Ze ruikt scherp, door veel mensen omschreven als kattenlucht.

Gelijkende soorten

S. alata lijkt er het meest op, maar staat westelijk van de Mississippi en overlapt niet met deze soort; hij is bleker, heeft een kleiner, minder ver uitstekend deksel en mist de rode keelvlek. S. oreophila, van de bergen van Alabama en Georgia, heeft kortere bekers die in de zomer al afsterven en maakt daarna sikkelvormige, platte bladeren (fyllodiën) die S. flava niet in die vorm heeft. S. leucophylla is even hoog maar heeft een wit gevensterd bovenstuk en bloeit dieprood. S. rubra is veel kleiner met roodbruine bloemen. En let op de hybriden: S. × moorei (met leucophylla) is hoog en geel met wit doorschoten kop — een plant die er tussenin zit, is dat meestal ook.

De val en hoe hij werkt

Een passieve valkuil met een chemische truc. De mondrand scheidt nectar af die bij deze soort het alkaloïde coniine bevat — hetzelfde gif als in de gevlekte scheerling — en insecten die ervan drinken worden traag en onzeker ter been. De rand is bovendien glad en naar binnen gebogen. Wie valt, komt in een buis waarvan de wand eerst met een waslaagje is bedekt en lager met dicht opeen staande, stijf naar beneden gerichte haren; omhoogklimmen lukt niet. Onderin staat een laagje verteringssap met enzymen van de plant zelf. De vangst is groot en gevarieerd: vliegen, wespen, bijen, kevers en veel mieren, en een goed gevulde beker in juni zit tot de helft vol met een zwarte massa onverteerbare pantsers. Het deksel houdt de regen buiten, zodat het sap niet verdunt.

Standplaats en ecologie

Natte savanne met langbladige den, natte flatwoods en kwelhellingen op zand, en opvallend vaak natte greppels en bermen langs zandwegen, waar het maaien hetzelfde doet als brand. Zure, natte, voedselarme grond, in de volle zon. De soort is voor haar voortbestaan afhankelijk van vuur: waar de savanne niet meer brandt, groeit het struweel dicht en verdwijnt zij binnen tien tot vijftien jaar. Na een brand in de winter volgt in het voorjaar een uitbundige bloei.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de kustvlakte van het zuidoosten van de Verenigde Staten: van zuidoostelijk Virginia door de Carolina's en Georgia tot in de Panhandle van Florida en zuidelijk Alabama. Het zwaartepunt ligt in de natte savannen van de Carolina's en in het westen van de Panhandle. In het binnenland ontbreekt hij. Buiten dat areaal heeft hij zich op enkele plaatsen weten te handhaven waar hij is uitgezet, onder meer in Maryland en de staat Washington, en in Europa in Groot-Brittannië, Frankrijk en Oostenrijk.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 72 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Zeven wilde variëteiten worden onderscheiden, en dit is de enige soort van het geslacht waarbij de vormen een echt veldkenmerk zijn. Var. flava is de gewone vorm: gele beker met een rode vlek binnen in de keel en fijn rood aderwerk in de hals. Var. rugelii is de grootste en de gladste: bijna geheel geel of geelgroen, zonder rood aderwerk aan de buitenkant, maar met één scherp begrensde donkerrode klodder onderin de keel; hij hoort bij de Golfkust. Var. maxima mist het rood juist geheel — geen keelvlek, geen rode aderen, alleen geelgroen met groene nerven. Var. ornata is het tegendeel: zwaar donkerrood aderwerk over de hele buitenkant van de buis, als een netwerk, plus de keelvlek. Var. rubricorpora heeft een dieprode buis met een geel tot geelgroen deksel — van een afstand een rode plant met een gele hoed; hij staat vrijwel alleen in de Panhandle van Florida. Var. cuprea heeft het omgekeerde: een koperrood tot bronskleurig deksel op een groengele buis. Var. atropurpurea is over de hele plant, buis én deksel, donker rood tot bijna purper. De variëteiten groeien door elkaar heen en de overgangen zijn vloeiend; kweeknamen tussen aanhalingstekens horen hier niet bij en staan niet in deze gids. Daarnaast kruist de soort met vrijwel alle buren: S. × catesbaei met S. purpurea, S. × moorei met S. leucophylla, S. × harperi met S. minor, S. × popei met S. rubra. Op gemengde vindplaatsen zijn die kruisingen soms in de meerderheid: een plant met tussenkenmerken is eerder een hybride dan een nieuwe variëteit.

Waar en wanneer te zien

Eind maart en begin april, wanneer de gele bloemen er zijn en de nieuwe bekers net opengaan — en de savanne is nog kort. Zoek langs natte greppels en op gebrande savanne in de Carolina's, zuidelijk Georgia en de Panhandle; verschillende staatsbossen en reservaten hebben er paden doorheen. Later in het jaar staan de oude bekers bruin en omgevallen en is hij minder opvallend. Kijk in de bekers zonder ze open te scheuren: tegen het licht zie je de zwarte prooimassa door de wand heen.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet bedreigd (LC) — van de bekerplanten van de kustvlakte is dit de soort met het grootste areaal en de meeste populaties. Dat neemt niet weg dat het leefgebied zwaar is gekrompen: van de oorspronkelijke natte savanne met langbladige den is nog maar een fractie over, en zonder beheer met vuur gaan ook de resterende plekken achteruit. In verschillende staten staat de soort daarom op een provinciale lijst. Verzamelen voor de handel en het plukken van bloemen spelen plaatselijk mee. Als Sarracenia valt hij onder CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Sarracenia flava | Linnaeus, 1753

Linnaeus beschreef de soort in 1753 in Species Plantarum. Geen precieze typelocatie opgegeven; de soort komt van nature voor in de kustvlakte van het zuidoosten van de Verenigde Staten, van Virginia tot Alabama. De soortnaam flava is Latijn voor 'geel', naar de kleur van de bloemen en de bekers.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.