Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera andersoniana
Drosera andersoniana
In het Engels heet hij de 'sturdy sundew', de stevige zonnedauw, en dat typeert hem goed: een rechtopstaande knolzonnedauw uit het droge binnenland van West-Australië die, anders dan veel verwanten, niet slap tussen de struiken klimt maar zelfstandig overeind staat. Drosera andersoniana groeit rond de granietkoepels die als eilanden uit de vlakke Wheatbelt oprijzen, en komt alleen tevoorschijn in het korte natte seizoen.


Herkenning
Een meerjarige knolplant die elk jaar opnieuw uitloopt uit een ondergrondse knol. Aan de voet staat een rozet van bladeren die volgens de beschrijvingen sterk lijkt op die van Drosera peltata; daarboven rijst een rechte, vrij stevige stengel van 8 tot 25 cm met verspreid staande vangblaadjes. De bloemen zijn rozewit tot rood en verschijnen in augustus en september. Nauwkeurige maten van bladschijf of kroonbladen waren in de voor deze gids geraadpleegde bronnen niet beschikbaar; de valgrootte blijft daarom leeg.
Gelijkende soorten
De sterkste gelijkenis is met Drosera peltata, die ook een basale rozet combineert met een rechtopstaande stengel. D. andersoniana wordt vooral onderscheiden door zijn gedrongener, steviger bouw, de rozige tot rode bloemen en zijn beperking tot de leemgronden rond granietrotsen in het binnenland. Andere rechtopstaande knolzonnedauwen in hetzelfde gebied, zoals Drosera graniticola, bloeien wit en missen de opvallende basale rozet.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, verdeeld over twee etages: de rozet aan de grond vangt kruipende en laagvliegende diertjes, de schildvormige blaadjes langs de stengel vangen vliegende insecten. Op elk blad staan gesteelde klieren met een kleverige druppel. Een gevangen insect wordt door de omliggende tentakels ingesloten, waarna enzymen het verteren. Voor een knolplant die maar een paar maanden per jaar bovengronds is, is die extra stikstof een wezenlijke bijdrage aan de nieuwe knol voor het volgende seizoen.
Standplaats en ecologie
Leemgronden op en rond granietrotsen (R3). De granietkoepels van de Wheatbelt vangen de winterregen op en laten die langs hun flanken afstromen, zodat aan de voet een strook grond ontstaat die langer vochtig blijft dan de omgeving. Daar vindt de plant in de winter voldoende water; de droge, hete zomer overleeft hij als knol onder de grond.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in West-Australië, in het binnenland ten oosten van de zuidwestelijke kustvlakte: FloraBase noemt de bioregio's Avon Wheatbelt, Coolgardie, Mallee en Yalgoo. Daarmee reikt de soort verder landinwaarts, tot in de overgang naar het halfdroge goudveldengebied, dan de meeste knolzonnedauwen.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. De naam heeft een wat ingewikkelde oorsprong: William Vincent Fitzgerald gebruikte hem al, maar de eerste geldige publicatie volgde pas in 1909 door Alfred Ewart en Jean White. Vandaar de auteursvermelding 'W.Fitzg. ex Ewart & Jean White'. De soort wordt ingedeeld in het ondergeslacht en de sectie Ergaleium, de groep van rechtopstaande en klimmende knolzonnedauwen.
Waar en wanneer te zien
Ga in augustus en september naar de granietrotsen van de Wheatbelt; veel ervan zijn als natuurreservaat beschermd en toegankelijk via wandelpaden. Zoek niet op de kale rots zelf maar in de strook leem en grind aan de voet, waar het water van de koepel naartoe loopt. De rozige bloemen zijn het best te zien op zonnige middagen. Stap niet op de mossige randen van de rots: die kwetsbare matten zijn het leefgebied van tal van zeldzame planten.
Staat van instandhouding
Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst; in West-Australië staat hij als 'Not threatened' te boek. Niet in CITES. De voornaamste druk op de omgeving is de ontginning van de Wheatbelt, waardoor veel granietrotsen tegenwoordig als eilanden van natuur in een zee van akkers liggen, en de verspreiding van onkruiden en begrazing aan de voet van de rotsen.
Wetenschappelijke naam
Drosera andersoniana | Fitzgerald ex Ewart & White, 1909
Beschreven door William Vincent Fitzgerald, geldig gepubliceerd door Alfred James Ewart & Jean White(-Haney) in 1909, in Proceedings of the Royal Society of Victoria, p. 98. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. Het achtervoegsel -iana duidt op een eerbetoon aan een persoon met de naam Anderson, maar wie precies geëerd wordt kon niet met zekerheid worden vastgesteld.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.