Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera derbyensis
Drosera derbyensis
Drosera derbyensis is genoemd naar het stadje Derby aan de westrand van de Kimberley, waar de soort voor het eerst werd opgemerkt bij de beroemde holle baobab die als Boab Prison Tree bekendstaat. Het is een lid van het D. petiolaris-complex dat zich onderscheidt door een witte, wollige beharing op bladstelen en bloemstengels — vermoedelijk een bescherming tegen uitdroging in de lange droge tijd.


Herkenning
Een meerjarige rozet van opstaande tot half opstaande bladeren. De bladstelen zijn smal, 0,8 tot 1,0 mm breed aan de voet en naar de top verbredend tot 1,3 tot 1,7 mm; ze dragen een rond vangschijfje van slechts 2 tot 3 mm doorsnee. Bladstelen en bloemstengels zijn bedekt met witte, wollige haren, wat de plant een grijsachtig uiterlijk geeft. Elke rozet maakt één tot vier bloeistengels van 25 tot 35 cm, met elk 30 tot 50 witte bloemen.
Gelijkende soorten
Binnen het D. petiolaris-complex lijkt hij vooral op andere behaarde soorten. Drosera ordensis heeft brede, dicht zilverig behaarde bladstelen en roze tot bijna witte bloemen en groeit verder oostelijk; D. petiolaris is minder wollig en heeft een ander verspreidingsbeeld; D. lanata is eveneens sterk wollig. Voor zekere determinatie zijn beharing, bloemkleur en vindplaats samen nodig.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De kleine ronde schijfjes aan het eind van de stelen dragen kliertentakels met kleverig slijm, waarin kleine insecten blijven hangen; de tentakels buigen vervolgens naar de prooi. De wollige beharing speelt geen rol bij de vangst, maar beschermt vooral de jonge bladeren en de groeitop tegen uitdroging.
Standplaats en ecologie
Zandgrond in overstromingszones en afvoergeulen die in de regentijd nat staan (W7), en zandige plekken bij rotsuitstulpingen in het savannelandschap (B6, D1). De standplaatsen drogen in de lange droge tijd sterk uit, waarop de plant met zijn beharing en kleinere droogtebladeren is aangepast.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in West-Australië, in het westelijke deel van de Kimberley, van Derby tot Beverley Springs. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort werd in 1996 door Allen Lowrie beschreven, in dezelfde periode waarin hij een reeks soorten uit het D. petiolaris-complex afsplitste. Oudere collecties uit de omgeving van Derby kunnen daardoor onder D. petiolaris of andere namen liggen.
Waar en wanneer te zien
Zoek aan het eind van de regentijd en in het begin van de droge tijd, maart tot juni, als de hoge bloeistengels met witte bloemen boven het zand uitsteken. De grijze, wollige rozetten zijn tussen het gras het best te vinden met laag, schuin invallend licht. Rond Derby liggen groeiplaatsen dicht bij de bewoonde wereld; blijf op paden en respecteer afgesloten terreinen.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Het areaal is betrekkelijk klein, maar ligt grotendeels in weinig ontwikkeld land. Mogelijke bedreigingen zijn uitbreiding van bebouwing en infrastructuur rond Derby, veranderingen in het brandregime en de verspreiding van invasieve grassen.
Wetenschappelijke naam
Drosera derbyensis | Lowrie, 1996
Beschreven door Allen Lowrie in 1996, in Nuytsia, deel 11, nr. 1, p. 63 — dezelfde publicatie als D. darwinensis. Kampeerterrein Silent Grove, Kimberley-regio, West-Australië, verzameld op 5 juni 1995. Vernoemd naar Derby, West-Australië, in de buurt waarvan Lowrie de soort in 1988 voor het eerst waarnam.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.