Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera paradoxa

Drosera paradoxa

Deze soort draagt haar naam met reden. Toen Allen Lowrie de planten in het veld bestudeerde, leken jonge rozetten, dichte 'speldenkussens' en rechtopstaande exemplaren op verhoutende stammetjes drie verschillende soorten te zijn. Pas later bleek het om stadia uit de levenscyclus van één soort te gaan: Drosera paradoxa, in 1997 beschreven en daarmee het enige lid van het D. petiolaris-complex dat met de jaren een echte stengel vormt.

Drosera paradoxa
Foto: Philipp Weigell — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera paradoxa — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: 阿橋 HQ in kweek — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera paradoxa — de bloem
De bloem · Foto: Jan Wieneke — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige plant die als vlakke rozet begint, vervolgens uitgroeit tot een dicht, bol 'speldenkussen' van bladeren en ten slotte een rechtopstaande, verhoutende stengel tot 30 cm vormt met de levende rozet aan de top en de verdorde bladeren van eerdere jaren daaronder. De bladeren hebben lijnvormige stelen van 20 tot 35 mm en een klein, rond vangschijfje van slechts 2 tot 3 mm lang en 2,5 tot 3 mm breed. De bloeiwijzen zijn 20 tot 40 cm lang, met 50 tot 70 roze of witte bloemen in dichte trossen.

Gelijkende soorten

Oudere planten zijn door het stammetje binnen het complex nauwelijks te verwarren. Jonge rozetten lijken wel sterk op Drosera petiolaris en verwanten, die allemaal lange bladstelen met een klein rond schijfje hebben; zonder stengel is determinatie dan lastig. D. stipularis uit Kaap York vormt eveneens een kort stammetje van oude bladeren, maar blijft veel kleiner (enkele centimeters) en groeit ver buiten het areaal van D. paradoxa.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De kleine ronde schijfjes aan de lange stelen dragen kliertentakels met een kleverig slijm; kleine vliegende en kruipende insecten blijven eraan kleven en de tentakels buigen naar de prooi. Doordat de rozet bij oudere planten tot 30 cm boven de grond staat, vangt de plant ook insecten die hoger vliegen dan die bij soorten met een vlakke rozet.

Standplaats en ecologie

Dunne, zandige bodems over zandsteen (D2) in of bij seizoensgebonden, in de droge tijd droogvallende beddingen van kreken, die in de regentijd van maart en april zwaar kunnen overstromen (W7), in een landschap van savanne en open bosland (B6). De verhoutende stengel helpt de plant waarschijnlijk om overstromingen en sedimentatie te overleven.

Verspreiding en hoogte

Het noorden van Australië: de Kimberley in West-Australië, westwaarts tot Beverley Springs, en oostwaarts tot in het Kakadu National Park in het Northern Territory. Anders dan de gebiedsomschrijving 'Kimberley' doet vermoeden, komt de soort dus ook in het Northern Territory voor. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 15 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. De grote vormvariatie binnen één plant door de jaren heen — van vlakke rozet via speldenkussen naar stammetje — is juist wat de soort zo verwarrend maakte en haar naam gaf. Daardoor kunnen oudere herbariumcollecties van jonge planten onder andere namen uit het D. petiolaris-complex liggen.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de vroege droge tijd, juli tot september, als de planten bloeien, langs droogvallende kreekbeddingen op zandsteen. De rechtopstaande stammetjes met hun rozet aan de top en de lange roze bloeitrossen zijn dan goed te zien. Houd er rekening mee dat veel groeiplaatsen afgelegen zijn en alleen in de droge tijd bereikbaar; betreed geen Aboriginal land zonder toestemming.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Lowrie beoordeelde hem bij de beschrijving in 1997 al als algemeen en niet bedreigd. Het areaal is groot en ligt grotendeels in afgelegen, weinig ontwikkelde gebieden, deels in nationale parken. Mogelijke bedreigingen zijn veranderingen in het brandregime en de hydrologie van kreken.

Wetenschappelijke naam

Drosera paradoxa | Lowrie, 1997

Drosera paradoxa werd in 1997 beschreven door Allen Lowrie, in het tijdschrift Nuytsia, deel 11, aflevering 3, pagina 347. Het typemateriaal werd op 1 augustus 1996 verzameld nabij Wren Creek, langs de weg naar Pantijan, aan een zijloop van Bachsten Creek, in de Kimberley-regio van West-Australië. De verzamelaar wordt niet expliciet met naam genoemd in de geraadpleegde bronnen, maar het ligt voor de hand dat dit Allen Lowrie zelf was, de auteur van de soort. Het epitheton paradoxa is Latijn (via het Grieks) voor "paradoxaal, tegenstrijdig, verrassend." De naam verwijst naar verwarrende waarnemingen in het veld: populaties leken aanvankelijk verschillende groeivormen te vertonen (met of zonder houtige stengel), wat later bleek te gaan om verschillende levensstadia van één en dezelfde, meerjarige soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.