Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera dichrosepala
Drosera dichrosepala
De 'rusty sundew', de roestkleurige zonnedauw, is een van de klassieke dwergzonnedauwen: Nikolai Turczaninow beschreef hem al in 1854, op basis van vroege verzamelingen uit de kolonie. De naam dichrosepala betekent 'met tweekleurige kelkbladen', en dat is precies waar je met een loep naar moet kijken.



Herkenning
Een meerjarige dwergzonnedauw met vezelige wortels en een kleine rozet van hooguit 1,5 cm breed; met de bloeistengel wordt de plant tot 4 cm hoog. In het hart staat de kegel van zilverachtige steunblaadjes die de plant 's zomers als rustknop beschermt. De bloemen zijn wit tot roze en verschijnen in september en oktober. Het kenmerk waar de soort naar genoemd is, zijn de kelkbladen, die twee kleuren vertonen. Nauwkeurige bladmaten waren in de toegankelijke bronnen niet beschikbaar.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Drosera enodes, die door Schlauer als ondersoort van D. dichrosepala is behandeld en elders als eigen soort; D. enodes groeit op natte, venige grond en in moerasranden, terwijl D. dichrosepala op droger zand en lateriet staat. Andere wit- of roze bloeiende dwergzonnedauwen, zoals Drosera closterostigma en Drosera eneabba, zijn te onderscheiden aan stempelvorm, steunblaadjes en kelk. De tweekleurige kelkbladen zijn het handigste kenmerk.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De blaadjes dragen gesteelde klieren met kleefdruppels, waarin kleine diertjes als springstaarten, mijten en minuscule vliegjes vastraken. De tentakels buigen zich daarna naar de prooi en scheiden verteringsenzymen af. De roestachtige kleur waaraan de Engelse naam refereert, komt van de rode klieren en het rood aangelopen blad in de zon.
Standplaats en ecologie
Wit tot grijs of roodbruin zand en rotsige lateriet (FloraBase), in open heide en open bos van het binnenland (D1, D3). De grond is in de winter vochtig; in de zomer droogt hij uit en rust de plant.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië. FloraBase noemt de bioregio's Avon Wheatbelt en Jarrah Forest. Omdat de soort op de IUCN-Rode Lijst als bedreigd staat, noemt deze gids geen nauwkeuriger vindplaatsen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden twee taxa onder de naam gebracht: subsp. dichrosepala en subsp. enodes. Die laatste werd door Marchant en Lowrie in 1992 als soort beschreven en door Schlauer tot ondersoort teruggebracht; FloraBase voert beide opvattingen. Een oudere naam, Drosera scorpioides var. brevipes, is een synoniem. Zoals alle dwergzonnedauwen vormt de soort in de herfst broedknopjes (gemmae).
Waar en wanneer te zien
Zoek in september en oktober in open plekken met zand of lateritisch grind in het jarrahbos en de Wheatbelt-reservaten. Neem een loep mee voor de kelkbladen. Omdat de soort bedreigd is, geldt hier extra: blijf op paden, verzamel niets en deel geen plaatsgegevens openbaar.
Staat van instandhouding
De IUCN beoordeelt de soort als bedreigd (EN). Opvallend is dat FloraBase hem in West-Australië als 'Not threatened' vermeldt; de beide beoordelingen zijn dus niet in overeenstemming, mogelijk doordat ze een verschillende soortafbakening hanteren (met of zonder D. enodes). Niet in CITES. Bedreigingen voor dit soort standplaatsen in het zuidwesten zijn ontginning, grind- en bauxietwinning en veranderingen in het brandregime.
Wetenschappelijke naam
Drosera dichrosepala | Turczaninow, 1854
Beschreven door Nikolai Turczaninow in 1854 (soms geciteerd als gepubliceerd in 1855), in Bulletin de la Société Impériale des Naturalistes de Moscou, deel 27, nr. 2, p. 343. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in zuidwestelijk Australië, ten noorden van Albany, rond Mount Barker. Van het Griekse dis ("twee") en chroia ("kleur") plus het Latijnse sepalum ("kelkblad") — verwijst naar de tweekleurige kelkbladen van de plant.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.