Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera scorpioides
Drosera scorpioides
Een reus onder de dwergen. Drosera scorpioides hoort bij de dwergzonnedauwen van Zuidwest-Australië, maar wordt voor die groep ongewoon groot: rozetten tot een centimeter of vijf breed op een stengeltje dat in de loop der jaren tot een decimeter hoog kan worden. Hij groeit in het jarrahbos en langs de zuidkust.




Herkenning
Een dwergzonnedauw met een rozet tot ongeveer 5 cm breed, die in de loop der jaren op een opgaand stengeltje komt te staan; oudere planten kunnen zo ongeveer 10 cm hoog worden. De soort kan, afhankelijk van de vorm, tot zeven jaar oud worden — lang voor een dwergzonnedauw. De bloemen zijn roze en wit en verschijnen tussen augustus en oktober. De soortnaam betekent 'schorpioenachtig', vermoedelijk naar de opgerolde bloeiwijze of het gekromde stengeltje. Nauwkeurige blad- en bloemmaten zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.
Gelijkende soorten
Door zijn formaat en het stengeltje is D. scorpioides onder de dwergzonnedauwen gemakkelijk te herkennen. Andere 'hoge' dwergsoorten bestaan, en de lastigste verwisselingen doen zich voor bij jonge planten die nog geen stengel hebben gevormd; die lijken op tal van andere roze- of witbloeiende dwergsoorten. Kijk dan naar de omvang van de rozet en de stipelknop, en naar oudere planten in dezelfde populatie.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.
Standplaats en ecologie
Wit zand en klei bij moerassen, op zandruggen en op lateriet (W7, D3), vaak in open jarrahbos (B6). De soort heeft dus een ruime standplaatskeus binnen de zuidwestelijke bosgordel.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuidwest-Australië: het gebied van het jarrahbos en de zuidkust. Een nadere arealgrens en hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Jules Émile Planchon beschreef de soort in 1848. Er worden geen formele ondersoorten onderscheiden, maar de bronnen verwijzen naar verschillende 'vormen' die in levensduur verschillen. Zoals de andere dwergzonnedauwen vormt de soort broedknoppen, die bij deze soort relatief groot zijn.
Waar en wanneer te zien
Augustus tot oktober, als de roze-witte bloemen open staan. Zoek in het jarrahbos op open plekken met weinig strooisel, bij moerasranden en op lateriet. Oude planten met een duidelijk stengeltje zijn de gemakkelijkste om te herkennen; laat ze staan, want ze zijn jaren oud.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. De soort heeft een ruim areaal in het jarrahbos, waarvan een groot deel als staatsbos of reservaat beheerd wordt. Bauxietwinning, wortelrot (Phytophthora) en een veranderd brandregime zijn de voornaamste landschappelijke drukfactoren in dat bos.
Wetenschappelijke naam
Drosera scorpioides | Planchon, 1848
Drosera scorpioides werd in 1848 beschreven door Jules Émile Planchon, gepubliceerd in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, série 3, deel 9: 288. Het typemateriaal komt uit de omgeving van de Swan River, West-Australië, verzameld door James Drummond in 1848 (bewaard onder meer als syntype/isotype in herbaria te Kew, Wenen en Londen). De naam is beschrijvend en afgeleid van het Grieks/Latijn "scorpioides" (schorpioenachtig): Planchon koos deze naam omdat de opstelling en vorm van de bladeren hem aan een schorpioen deden denken.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.