Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera leucoblasta
Drosera leucoblasta
De bekendste en wijdst verspreide van de oranjebloeiende dwergzonnedauwen, in West-Australië 'Wheel Sundew' genoemd. De bloem is voor zo'n klein plantje groot en heeft bij veel vormen een donker, stervormig hart. George Bentham beschreef Drosera leucoblasta al in 1864 in zijn Flora Australiensis; de naam komt uit het Grieks en betekent 'witte knop', vermoedelijk een verwijzing naar de witte stipels in het hart van de rozet.




Herkenning
Een platte, vezelwortelige rozet van ongeveer 2 cm breed; bloeiend wordt de plant 3 tot 12 cm hoog. De bloemen zijn opvallend groot voor zo'n klein plantje, ongeveer 2 cm in doorsnede, meestal oranje, soms wit-roze of rood. De kroonbladen zijn smal en recht met afgeronde toppen. In het hart zit bij veel vormen een rode tot zwarte tekening die een ster vormt; de helmdraden zijn rood tot zwart, de stempels verdikt en lichtoranje tot zwart, het vruchtbeginsel groen tot zwart. Bloei van augustus tot november.
Gelijkende soorten
Drosera echinoblastus is bijna identiek, maar heeft groene helmdraden en mist de donkere pigmentatie; bovendien overlappen de verspreidingsgebieden niet. D. callistos heeft bredere kroonbladen. D. hyperostigma en D. platystigma hebben brede, wigvormige kroonbladen en eivormige stempels. Een loep en een blik op de kleur van helmdraden en stempels lossen de meeste twijfelgevallen op.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; de lange randtentakels vangen de prooi en buigen naar het midden van het blad. De vangst bestaat uit springstaarten, mijten en de kleinste vliegjes van de open laterietbodem.
Standplaats en ecologie
Lateritische klei en ophopingen van lateriet- of zandgrind, vaak tussen lage heide (D3, B5, D1). De plant groeit in de natte winter, bloeit in het voorjaar en rust in de zomer, teruggetrokken tot een knop binnen de witte stipels.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuidwest-Australië, in een brede band over de Darling Scarp, door de Wheatbelt en langs de zuidkust bij Albany tot in de streek van Esperance. FloraBase noemt de bioregio's Avon Wheatbelt, Esperance Plains, Geraldton Sandplains, Jarrah Forest en Mallee.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten formeel beschreven, maar de soort is zichtbaar variabel in de kleur van het bloemhart, de helmdraden en de stempels, en ook in de bloemkleur zelf. Zoals de meeste dwergzonnedauwen vormt de plant aan het eind van het groeiseizoen broedknoppen (gemmae) die door regendruppels worden weggeschoten.
Waar en wanneer te zien
Half september tot half oktober, op een zonnige middag, zijn de grote oranje bloemen niet te missen op open lateriet. Kniel om de stervormige tekening en de kleur van de helmdraden te bekijken; dat is de sleutel tot de naam. De plant is een goede introductie tot de dwergzonnedauwen: algemeen, groot bloeiend en in een groot gebied te vinden.
Staat van instandhouding
Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC); in West-Australië geldt hij als niet bedreigd. In CITES is hij niet opgenomen. Door het grote areaal is de soort als geheel niet in gevaar, al zijn veel groeiplaatsen in de Wheatbelt beperkt tot bermen en kleine natuurrestanten.
Wetenschappelijke naam
Drosera leucoblasta | Bentham, 1864
Beschreven door George Bentham in 1864, in "Flora Australiensis", deel 2, p. 458. Drosera miniata Diels is een synoniem van deze soort. Alleen "Australië" vermeld, zonder preciezere vindplaats. Van het Griekse leukos ("wit") en blastos ("scheut, knop") — "witte scheut/knop", vermoedelijk verwijzend naar bleke nieuwe groei of bloemknoppen.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.