Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera closterostigma
Drosera closterostigma
Een van de dwergzonnedauwen die Neville Marchant en Allen Lowrie in 1992 beschreven in hun herziening van deze groep in het Kew Bulletin. De naam verwijst naar de stempel: closter is Grieks voor een spoel of spintol, en de stempels van deze soort zijn spoelvormig. Net als bij verwante soorten zit het beslissende kenmerk dus in een detail van de bloem van hooguit een millimeter.


Herkenning
Een meerjarige dwergzonnedauw met vezelige wortels en een rozet van hooguit 1,8 cm breed; met de bloeistengel wordt de plant tot 4 cm hoog. In het hart staat de kegel van zilverachtige steunblaadjes. De bloemen zijn wit tot roze en verschijnen in oktober en november. Het determinatiekenmerk is de vorm van de stempels, die spoelvormig zijn in plaats van knots- of kussenvormig. Precieze bladmaten waren in de toegankelijke bronnen niet te vinden.
Gelijkende soorten
In de noordelijke zandvlakten en op de kustvlakte groeien meerdere wit- of roze bloeiende dwergzonnedauwen met vergelijkbare rozetten, waaronder Drosera eneabba, Drosera enodes en Drosera dichrosepala. Het onderscheid ligt vooral in de stempelvorm, de steunblaadjes en de kelk; zonder loep en bloem is het vrijwel niet te maken. De standplaats, aan de randen van natte laagtes, helpt het zoekgebied te verkleinen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De bladeren dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; kleine diertjes van de natte zandbodem, vooral springstaarten en muggen, blijven eraan kleven. Daarna buigen de tentakels naar de prooi en worden verteringsenzymen afgescheiden. Bij dwergzonnedauwen reageren de lange randtentakels vaak binnen minuten.
Standplaats en ecologie
Zandige grond aan de randen van natte laagtes (FloraBase): de zone rond seizoensmoerassen die in de winter drassig is en in de late lente opdroogt (W7, D1). Die late opdroging past bij de bloei in oktober en november. In de zomer rust de plant als knop van steunblaadjes.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië. FloraBase noemt de bioregio's Geraldton Sandplains, Jarrah Forest en Swan Coastal Plain.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals alle dwergzonnedauwen vormt de soort in de late herfst broedknopjes (gemmae) in het hart van de rozet, die door regendruppels worden verspreid en tot genetisch identieke plantjes uitgroeien.
Waar en wanneer te zien
Zoek in oktober en begin november aan de randen van natte laagtes in de zandvlakten, op de overgang van nat naar droog zand. Kniel en gebruik een loep; alleen zo zijn de spoelvormige stempels te zien. Fotografeer de bloem recht van boven voor latere vergelijking.
Staat van instandhouding
Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst en in West-Australië als 'Not threatened'. Niet in CITES. Seizoensmoerassen in het zuidwesten staan onder druk van ontwatering en dalend grondwater, maar het verspreidingsgebied van de soort is betrekkelijk groot.
Wetenschappelijke naam
Drosera closterostigma | Marchant & Lowrie, 1992
Beschreven door N.G. Marchant & Lowrie, in Kew Bulletin, deel 47, nr. 2, p. 322 (29 juni 1992). De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in West-Australië. Van het Griekse klostēr ("spoel") en stigma — "spoelvormige stempel", verwijzend naar de vorm van de stempels waarmee deze soort zich onderscheidt van verwante soorten.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.