Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera zonaria

Drosera zonaria

Een raadselachtige rozetzonnedauw van Zuidwest-Australië. Drosera zonaria vormt een strakke rozet van niervormige bladeren in concentrische ringen, elk met een karmijnrode rand — vandaar de naam, 'gezoneerd'. Maar hij bloeit vrijwel alleen na een bosbrand, zo zelden dat de eerste gedocumenteerde bloei pas in 1954 werd vastgelegd, ruim een eeuw na de beschrijving.

Drosera zonaria
Foto: Denis Barthel — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera zonaria — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Donald Hobern from Copenhagen, Denmark — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera zonaria — de standplaats
De standplaats · Foto: Donald Hobern from Copenhagen, Denmark — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een strakke, platte rozet van 5 tot 7 cm breed met 20 tot 30 groene tot rode bladeren, gerangschikt in concentrische lagen. De bladeren zijn niervormig, meestal ongeveer 1 cm breed, met karmijnrode randen. Na brand verschijnen witte, zoet geurende bloemen op stengels van 4 tot 5 cm. In de zomer sterft alles bovengronds af en trekt de plant zich terug in een vlezige knol die 10 tot 30 cm diep in het zand ligt.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn Drosera erythrorhiza en D. rosulata, eveneens knoldragende rozetplanten van sectie Erythrorhiza. De bloemen lijken op die van D. erythrorhiza. Het beste onderscheid bij D. zonaria is de bladrozet zelf: kleine, niervormige bladeren in strakke concentrische ringen met een opvallend rode rand. D. rosulata bloeit regelmatig in de herfst en staat aan moerasranden, niet in droog, diep zand.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, dicht tegen de grond. De bladeren van de rozet liggen plat op de bodem en dragen op de bovenzijde en langs de rand gesteelde klieren met een kleverige druppel. Wat over de grond kruipt of er even landt — mieren, springstaarten, kleine kevers en muggen — raakt verstrikt, waarna de tentakels langzaam naar binnen buigen en de klieren verteringsenzymen afscheiden. Stikstof, fosfor en mineralen uit de prooi worden via hetzelfde bladoppervlak opgenomen. Omdat de plant maar een paar maanden per jaar blad heeft, is dat voedsel direct bestemd voor de knol, die de volgende droge zomer moet overbruggen.

Standplaats en ecologie

Diep kwartszand in open bosland of kustheide (D1, B5, B6). De knol ligt diep genoeg om hete zomers en branden te overleven; na brand, wanneer de concurrerende begroeiing is weggevaagd, bloeit de plant.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor het zuidwesten van West-Australië, van de omgeving van Perth zuidoostwaarts tot bij Esperance. Een waarnemer vermeldt de plant ook in de mallee ten noorden van Ravensthorpe, samen met D. pycnoblasta. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 69 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Jules Émile Planchon beschreef de soort in 1848. De status ervan werd daarna betwijfeld: George Bentham trok haar in 1864 in twijfel, en in de standaardwerken van Diels en Gardner in de twintigste eeuw ontbrak zij. Na de herontdekking bij Guildford in 1952 en de eerste gedocumenteerde bloei in mei 1954 werd zij opnieuw als soort erkend. Er worden geen ondersoorten onderscheiden. Dat de bloei door brand wordt uitgelokt, zou volgens een gangbare hypothese samenhangen met het ethyleen dat bij verbranding vrijkomt; dat is niet experimenteel bewezen.

Waar en wanneer te zien

Zonder brand is de rozet het enige wat er te zien is, en die is al de moeite waard: zoek in de winter in open zand in bosland en heide naar de strakke, rood omrande ringen tegen de grond. Wie de bloei wil zien, moet op het eerste seizoen na een (gecontroleerde) brand mikken. Graaf nooit naar de knol: die ligt diep en de plant overleeft het niet.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. De soort heeft een ruim areaal. Doordat de plant voor zijn voortplanting van brand afhankelijk is, is het brandregime een sleutelfactor: te weinig brand betekent geen bloei en geen zaad, terwijl de gewone ontginningsdruk rond Perth het leefgebied verkleint.

Wetenschappelijke naam

Drosera zonaria | Planchon, 1836

Drosera zonaria werd in 1848 beschreven door de Franse botanicus Jules Émile Planchon, gepubliceerd in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, serie 3, deel 9, pagina 303. De soort werd voor het eerst verzameld nabij de Swan River Colony (Zuidwest-Australië) door de botanicus James Drummond; de door Drummond verzamelde exemplaren waren echter slechts twee kale rozetten zonder bloemen, wat meer dan een eeuw lang tot taxonomische verwarring leidde. Een exacte verzameldatum kon niet worden achterhaald. De naam zonaria is afgeleid van het Latijn/Grieks "zona" (gordel, band, zone) en verwijst vermoedelijk naar de gebandeerde of gezoneerde kleurpatronen op de bladeren — de plant staat bekend als "painted sundew" vanwege de karmozijnrode bladranden en de kleuren die variëren van groen tot rood; een expliciete bevestiging in de oorspronkelijke beschrijving kon niet worden teruggevonden.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.