Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera paleacea

Drosera paleacea

Een van de eerst beschreven dwergzonnedauwen: Augustin Pyramus de Candolle gaf Drosera paleacea zijn naam in 1824. In West-Australië heet hij 'Dwarf Sundew'. De naam betekent 'met kafschubben' en verwijst naar de droogvliezige stipels in het hart van de rozet, het kenmerk van de hele groep. De soort werd lang ruim opgevat; in de huidige, smallere afbakening is het een zeldzame plant van het uiterste zuidwesten.

Drosera paleacea
Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera paleacea — de bloem
De bloem · Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera paleacea — de standplaats
De standplaats · Foto: Marius Grathwohl - Bigg(g)er 11:58, 25 November 2006 (UTC) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera paleacea — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: 周與恩 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een minuscule, vezelwortelige, overblijvende rozet van hooguit 1,5 cm breed en 3 cm hoog. In het hart van de rozet staat een pluk glanzende stipels. De bloemen zijn wit tot crème en verschijnen van september tot december, soms nog in januari. Nauwkeurige blad- en bloemmaten hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.

Gelijkende soorten

Er zijn meerdere kleine, witbloeiende dwergzonnedauwen in het zuidwesten, waaronder Drosera occidentalis en D. pygmaea. Omdat D. paleacea vroeger ruimer werd opgevat, zijn oudere waarnemingen onder deze naam niet zonder meer betrouwbaar: een deel van de planten die er vroeger onder vielen, wordt nu als aparte soort behandeld. Een loep, een bloeiende plant en de sleutel in Lowrie (2013) zijn nodig.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; de lange randtentakels vangen de prooi en buigen haar naar het midden van het blad, waar kortere klieren de vertering overnemen. De prooi bestaat uit springstaarten, mijten en de kleinste vliegjes.

Standplaats en ecologie

Wit zand en zandige klei (D1, W7), op open plekken die in de winter vochtig zijn. De plant groeit in de natte maanden, bloeit in het voorjaar en de vroege zomer en rust in de droogste periode, teruggetrokken in zijn stipels.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië. FloraBase vermeldt de soort in zijn huidige opvatting alleen voor de bioregio Warren, het koele, natte uiterste zuidwesten tussen Augusta en Walpole. Oudere bronnen geven een veel groter areaal, wat samenhangt met de vroegere, ruimere afbakening van de soort.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 86 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In de huidige opvatting worden geen ondersoorten meer onderscheiden. Vormen die vroeger als ondersoort bij D. paleacea werden ingedeeld, zijn voor zover wij konden nagaan als zelfstandige soort afgesplitst; welke precies, hebben we niet in de primaire literatuur kunnen nalopen. Zoals de meeste dwergzonnedauwen vormt de plant broedknoppen (gemmae).

Waar en wanneer te zien

Zoek van oktober tot december op open plekken met wit zand in het uiterste zuidwesten, bij zonnig weer, want de bloemen gaan alleen in de zon open. Een rozet van anderhalve centimeter is alleen op je knieën te vinden. Omdat de soort in West-Australië als slecht bekend en zeldzaam geldt, is een goed gedocumenteerde waarneming waardevol; meld die liever dan de plaats openbaar te maken.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als gevoelig (Near Threatened, NT). In West-Australië staat hij als Priority One op de lijst van slecht bekende flora, wat erop wijst dat hij in zijn huidige afbakening van weinig groeiplaatsen bekend is. In CITES is hij niet opgenomen. Onzekerheid: het verschil tussen het ruime oudere areaal en de beperking tot de Warren-bioregio in FloraBase konden we niet in de primaire literatuur verklaren.

Wetenschappelijke naam

Drosera paleacea | de Candolle, 1824

Drosera paleacea werd in 1824 beschreven door de Zwitserse botanicus Augustin Pyramus de Candolle, in zijn Prodromus Systematis Naturalis Regni Vegetabilis, deel 1, pagina 318 — een van de vroegst beschreven "dwerg-zonnedauwsoorten." De soort komt endemisch voor in zuidwestelijk West-Australië, en het typemateriaal zal daar vandaan komen. De precieze vindplaats, de verzamelaar en de verzameldatum van het originele typemateriaal konden echter niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton paleacea komt van het Latijnse palea ("kaf, schub") met het achtervoegsel -aceus, en betekent "kaf-achtig" of "met schilferige schubben." Het is een beschrijvende naam, die verwijst naar de kleine, schubvormige haartjes of steunblaadjes van de plant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.