Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera falconeri
Drosera falconeri
De zonnedauw die op een venusvliegenvanger lijkt. Drosera falconeri heeft voor een zonnedauw ongewoon grote, platte, niervormige bladschijven op brede stelen, en botanici hebben hem wel als voorbeeld genoemd van hoe een lijmval eruit kan zien voordat de evolutie er een klapval van maakt. De soort werd in 1980 gevonden door een zekere Falconer langs de Finniss River in het Northern Territory, en in 1984 door de Japanse botanicus Katsuhiko Kondo formeel beschreven. Let op: het is een soort van het Northern Territory, niet van de Kimberley en al helemaal niet van het zuidwesten.



Herkenning
Een meerjarige tropische zonnedauw met een platte rozet waarvan de bladeren tegen de grond liggen. Volwassen bladschijven zijn niervormig, ongeveer 1,5 cm lang en 2 cm breed, bij oude planten tot 3 cm breed; binnen het ondergeslacht zijn ze uitzonderlijk groot. De bladsteel is omgekeerd lancetvormig, ongeveer 10 mm lang, bovenaan kaal en langs de randen en aan de onderzijde met witte haren. De onderzijde van de bladschijf is duidelijk generfd en schaars behaard. Een of twee trossen van meestal 8 cm dragen elk ongeveer twaalf bloemen op steeltjes van 3 tot 5 mm. De kroonbladen zijn wit of roze, ongeveer 7 bij 4 mm; de meeldraden zijn wit met oranje helmknoppen, de drie witte stijlen sterk vertakt. In het wild kleuren de bladeren diep rood.
Gelijkende soorten
Binnen het ondergeslacht Lasiocephala, de 'wollige zonnedauwen' van Noord-Australië, hebben de meeste soorten kleine bladschijven aan lange, smalle, vaak dicht behaarde stelen, zoals Drosera petiolaris en Drosera dilatatopetiolaris. De grote, platte, niervormige bladschijven en de brede, korte stelen maken D. falconeri onmiskenbaar. Natuurlijke kruisingen met D. dilatatopetiolaris en D. petiolaris zijn bekend en hebben tussenvormen; die zijn te herkennen aan kleinere bladschijven en langere stelen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. Langs de rand van de bladschijf staan gesteelde tentakels die slijm afscheiden, in het midden kortere klieren. Een insect dat op het blad landt, blijft plakken en wordt door de tentakels ingesloten. Omdat de brede bladschijf veel oppervlak biedt, kan de plant grotere prooien aan dan zijn verwanten, en juist dat probleem, dat grote prooien zich kunnen losrukken, wordt gezien als de evolutionaire druk die elders tot de klapval van de venusvliegenvanger heeft geleid.
Standplaats en ecologie
Seizoensnatte grond in het moessongebied (W7, B6). Op de oorspronkelijke vindplaats langs de Finniss River groeide de soort op kalkrijk, alkalisch zand (gemeten pH 8) onder hoog, dicht gras; elders op grijze, siltige klei. Dat is ongewoon: de meeste vleesetende planten mijden kalk. In de droge tijd sterven de bladeren af en overleeft de plant als een bolachtige structuur van dicht opeengepakte bladvoeten net onder het grondoppervlak, geïsoleerd door de harde kleigrond. Witte, vlezige wortels dienen als wateropslag. De eerste regens van het natte seizoen doorbreken de rust.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het Northern Territory, in de noordelijke kuststreek: de omgeving van de Finniss River, Palmerston en Berry Springs ten zuiden van Darwin, en Melville Island. Binnen dit gebied is hij volgens de beschrijvingen niet zeldzaam. De vermelding 'Kimberley, West-Australië' in de basislijst klopt niet: de soort komt voor zover bekend niet in West-Australië voor.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten beschreven, maar wel natuurlijke kruisingen. De eerste gedocumenteerde was die met D. dilatatopetiolaris, door E. Westphal in 1991 informeel aangeduid; het zaad daarvan bleek kiemkrachtig, wat bij zonnedauwkruisingen ongebruikelijk is, en er zijn in het wild een viertal herkenbare vormen van 4 tot 10 cm breed. Een tweede natuurlijke kruising is die met D. petiolaris. In het wild zijn zulke kruisingen zeldzaam, omdat de soorten verschillende bodems verkiezen.
Waar en wanneer te zien
Het natte seizoen, november tot maart, is de tijd om de plant in blad en bloei te zien; de bloei valt in november en december, met gewoonlijk één bloem per dag die maar één dag openstaat. Zoek op grijze klei en zandige, kalkrijke plekken rond Darwin, tussen het gras. In de droge tijd is er bovengronds niets te zien. Houd rekening met hitte, overstromingen en krokodillen bij open water.
Staat van instandhouding
Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst. Niet in CITES. De omgeving van Darwin en Palmerston is sterk in ontwikkeling, wat plaatselijke groeiplaatsen bedreigt, maar de soort komt in een groter gebied voor. In cultuur geldt hij als moeilijk; de rode bladkleur van wilde planten gaat bij kweek onder minder fel licht meestal verloren.
Wetenschappelijke naam
Drosera falconeri | Tsang ex Kondo, 1984
Beschreven door Katsuhiko Kondô & Peter Tsang in 1984, in Boletim da Sociedade Broteriana, serie 2, deel 57, p. 52 — dezelfde publicatie waarin ook D. dilatatopetiolaris (golf 41) werd beschreven, onderdeel van een revisie van het Petiolaris-complex. Langs de Finniss-rivier, Northern Territory, Australië; oorspronkelijk ontdekt in 1980. Een preciezere plek langs de rivier is niet bekend. Vernoemd naar de heer Falconer, de ontdekker van de soort langs de Finniss-rivier; het epitheton werd voorgesteld door Peter Tsang.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.