Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera nitidula

Drosera nitidula

Een van de klassieke dwergzonnedauwen, al in 1848 beschreven door Jules Émile Planchon en daarmee een van de eerste soorten van deze groep die een naam kregen. De naam nitidula betekent 'enigszins glanzend'. Lange tijd werd de soort ruim opgevat, met meerdere ondersoorten; de meeste daarvan zijn inmiddels als zelfstandige soort afgesplitst.

Drosera nitidula
Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera nitidula — de bloem
De bloem · Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera nitidula — de standplaats
De standplaats · Foto: onbekend — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, vezelwortelige, overblijvende rozet met in het hart de pluk stipels die alle dwergzonnedauwen kenmerkt. Aan het eind van het groeiseizoen vormt de plant broedknoppen (gemmae). Maten, bloemkleur en bloeitijd hebben we niet in een toegankelijke bron kunnen controleren; die velden blijven leeg.

Gelijkende soorten

Omdat D. nitidula vroeger ruim werd opgevat, lijken de afgesplitste soorten er sterk op. Volgens de gangbare indeling horen daar Drosera omissa, D. leucostigma en D. allantostigma toe, die als ondersoort van D. nitidula zijn beschreven of daaronder werden gerekend; de verschillen zitten vooral in de vorm en kleur van de stempels. Oudere waarnemingen onder de naam D. nitidula kunnen dus op een van deze soorten betrekking hebben.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; de lange randtentakels vangen de prooi en buigen haar naar het midden van het blad, waar kortere klieren de vertering overnemen. De prooi bestaat uit springstaarten, mijten en de kleinste vliegjes.

Standplaats en ecologie

Een gepubliceerde standplaatsbeschrijving hebben we niet kunnen inzien. De codes volgen het beeld van verwante dwergzonnedauwen, die op zandige bodems in en aan de randen van seizoensnatte laagten en in open heide groeien (W7, D1, B5), en zijn voorlopig. Zoals alle dwergzonnedauwen groeit de plant in de natte winter en rust hij in de zomer.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië. Een nauwkeuriger beschrijving van het areaal, na de afsplitsing van de vroegere ondersoorten, konden we niet controleren.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 38 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In de huidige opvatting worden geen ondersoorten meer onderscheiden; de vroegere ondersoorten zijn als zelfstandige soort erkend. De soort is een van de dwergzonnedauwen die in cultuur gemakkelijk met verwanten kruisen. Of dat ook in het wild gebeurt, konden we niet nagaan.

Waar en wanneer te zien

Dwergzonnedauwen bloeien in het Zuidwest-Australische voorjaar en openen hun bloemen alleen bij zon. Neem een loep mee: bij deze soort en zijn vroegere ondersoorten is de vorm en kleur van de stempels het belangrijkste kenmerk, en zonder die details is een naam niet te geven.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC). In CITES is hij niet opgenomen. Onzekerheid: behalve naam, auteur, sectie en status konden we weinig in een bron nalopen; de afgrenzing ten opzichte van de afgesplitste soorten is gebaseerd op de auteursvermeldingen in de naamgeving en moet in Lowrie (2013) worden gecontroleerd.

Wetenschappelijke naam

Drosera nitidula | Planchon, 1848

Drosera nitidula werd in 1848 beschreven door Jules Émile Planchon, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, 3e serie, deel 9, p. 285. Het holotype (Kew, K000215051, Herbarium Hookerianum) is afkomstig van de Swan River in Westelijk Australië en werd verzameld door James Drummond. De precieze verzameldatum kon niet worden achterhaald. De naam is een verkleinvorm van het Latijnse "nitidus" ("glanzend"), en betekent dus zoiets als "een beetje glanzend" of "glimmend" — een verwijzing naar het glanzende uiterlijk van de kleine bladrozetten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.