Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera pulchella

Drosera pulchella

Een van de bekendste en meest variabele dwergzonnedauwen van Zuidwest-Australië, en anders dan de meeste van zijn verwanten een plant van natte grond. Drosera pulchella — 'de mooie' — staat in moerassen, langs beken en meren en op beschaduwde natte plekken in het bos, en bloeit met bloemen die bijna zo groot zijn als de hele plant, in een kleurenreeks van wit via roze tot oranje.

Drosera pulchella
Foto: Kevin Thiele from Perth, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosera pulchella — de bloem
De bloem · Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera pulchella — de standplaats
De standplaats · Foto: Michal Rubeš — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons
Drosera pulchella — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Michal Rubeš — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet van meestal 15 tot 20 mm breed, volgens FloraBase tot 3 cm breed en tot 4 cm hoog met de bloemen. De bladeren omringen een centrale knop en dragen aan het eind een rond schijfje met tentakels. In het veld vormt de soort vaak dichte groepjes die op een plukje mos lijken — het gevolg van vermeerdering met broedknoppen. De bloemen zijn opvallend groot voor de plant, en de kleur varieert: roze, wit en oranje zijn het meest vermeld, geel en rood komen ook voor. Bloei van november tot januari.

Gelijkende soorten

Binnen de dwergzonnedauwen is de combinatie van natte standplaats, dichte kolonies en grote, vaak roze of oranje bloemen typerend. Oranjebloeiende verwanten als Drosera platystigma en D. hyperostigma staan op drogere lateriet- en zandbodems en hebben een zwart hart in de bloem. Omdat D. pulchella zo variabel is, kan een enkele plant zonder bloem niet met zekerheid worden gedetermineerd; kijk naar de hele populatie en naar de standplaats.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.

Standplaats en ecologie

Plekken die het hele jaar door vochtig blijven of in elk geval lang nat zijn: moerassen, beekoevers, meerranden en natte plekken in het bos (W4, W7). De bodem is wit of zwart, venig zand, extreem arm aan voedingsstoffen. De soort verdraagt meer schaduw dan de meeste andere dwergzonnedauwen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor het zuidwesten van West-Australië. FloraBase noemt een breed spectrum aan biogeografische regio's: Avon Wheatbelt, Esperance Plains, Geraldton Sandplains, Jarrah Forest, Mallee, Swan Coastal Plain en Warren. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 74 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Johann Georg Christian Lehmann beschreef de soort in 1844. Er worden geen formele ondersoorten of variëteiten onderscheiden, maar de variatie in bloemkleur is groot, en populaties met verschillende kleuren zijn in de loop der jaren als informele 'vormen' bekendgeraakt. De plant is overwegend meerjarig, soms eenjarig. De vermeerdering verloopt vooral via broedknoppen: speciaal gevormde blaadjes in het hart van de rozet die loslaten en bij aanraking tot enkele meters ver kunnen wegschieten. Zaadvorming is naar verluidt weinig efficiënt.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de late lente en vroege zomer, november tot januari, wanneer de bloemen open staan. De plant staat op natte plekken — in venig zand langs een beek of aan de rand van een moeras — en vaak in grote aantallen bij elkaar. Kijk ook in de halfschaduw van struiken, waar andere dwergsoorten ontbreken. Stap niet in de natte randen: die zijn het leefgebied zelf, en de dichte kolonies raken bij betreding snel beschadigd.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES, en in FloraBase aangeduid als niet bedreigd. De soort heeft een groot areaal. Omdat zij aan natte plekken gebonden is, is zij gevoelig voor verlaging van het grondwater en voor het droger worden van het klimaat in Zuidwest-Australië, dat in de laatste decennia duidelijk minder winterregen ontvangt.

Wetenschappelijke naam

Drosera pulchella | Lehmann, 1844

Drosera pulchella werd beschreven door de Duitse botanicus Johann Georg Christian Lehmann, in zijn werk "Pugillus", deel 8, pagina 38, in 1844. De soort is inheems in het zuidwesten van West-Australië. De precieze verzamelplaats, verzamelaar en verzameldatum van het typeexemplaar konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton pulchella is een Latijns verkleinwoord van pulcher, "mooi", en betekent dus "vrij mooi" of "lief klein en mooi". Het is een beschrijvende naam die verwijst naar het sierlijke uiterlijk van deze kleine dwergzonnedauw, geen plaatsnaam of persoonsnaam.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.