Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera gibsonii

Drosera gibsonii

Een dwergzonnedauw die voor zover bekend op één enkele plek ter wereld groeit: in het Stirling Range National Park, de bergketen die als een eiland uit de vlakte ten noorden van Albany oprijst. Paul Mann beschreef Drosera gibsonii in 2007 in Nuytsia en vernoemde hem naar de Australische zonnedauwkenner Robert Gibson. Het is een late bloeier met roze tot lila bloemen, die groeit op lateritisch grind in open heide.

Drosera gibsonii
Foto: Hugo Innes — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige dwergzonnedauw met vezelige wortels en een halfrechte rozet van hooguit 1,25 cm doorsnede, op een stammetje tot 4 cm dat bedekt is met de verdorde resten van eerdere seizoenen. De rozet telt 6 tot 12 bladeren met een smal-elliptische bladschijf van 3 bij 1,5 mm op een steel van 5 mm. De steunblaadjes zijn 6,5 mm lang en drielobbig, met een middenlob die in vier slippen is verdeeld. De bloemstengel wordt hooguit 3 cm en draagt 7 tot 12 roze tot lila bloemen; de kroonbladen meten 8 bij 5 mm. De stijlen zijn lila, 3,5 mm lang, met doorschijnend witte, knotsvormige stempels; het stuifmeel is geel. De broedknopjes meten 1,5 bij 1,2 bij 0,75 mm.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Drosera silvicola (door sommigen als ondersoort van D. barbigera behandeld). D. gibsonii onderscheidt zich daarvan door de kortere bloemstengel (tot 3 cm tegen 8 cm of meer), minder bloemen (7 tot 12 tegen tot 20), lila in plaats van rode stijlen en geel in plaats van wit stuifmeel. Andere dwergzonnedauwen in de Stirling Range zijn te onderscheiden aan bloemkleur, steunblaadjes en het stammetje.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De piepkleine, smal-elliptische bladschijfjes van 3 mm dragen gesteelde klieren met kleefdruppels, waarin springstaarten, mijten en minuscule vliegjes vastraken. De tentakels buigen zich naar de prooi en scheiden verteringsenzymen af. Op arm lateritisch grind is deze bijvangst van betekenis voor de stikstof- en fosforhuishouding van de plant.

Standplaats en ecologie

Lateritisch grind tussen Allocasuarina-struiken in open heide op berghellingen, op ongeveer 400 m hoogte (Mann 2007; FloraBase) (D3, B5). De hogere ligging geeft een koeler en vochtiger klimaat dan de omliggende vlakte, wat de late bloei in november en december verklaart.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het zuidwesten van West-Australië, voor zover bekend beperkt tot één gebied in het Stirling Range National Park (Esperance Plains, deelgebied Fitzgerald). De precieze vindplaats werd in de oorspronkelijke beschrijving bewust achterwege gelaten, en deze gids volgt dat voorbeeld.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals alle dwergzonnedauwen vermeerdert de soort zich ook met broedknopjes (gemmae), die in de oorspronkelijke beschrijving zijn opgemeten. Op één plek beperkt is de genetische variatie waarschijnlijk klein.

Waar en wanneer te zien

Het Stirling Range National Park is in het voorjaar een van de rijkste plantengebieden van Australië. Blijf daar strikt op de paden: het parkbeheer hanteert maatregelen tegen de verspreiding van de wortelrot Phytophthora cinnamomi, die grote delen van de heide aantast, en een soort met één groeiplaats kan geen betreding verdragen. Late bloeiers als deze zie je in november en december.

Staat van instandhouding

De IUCN-code in deze gids is kwetsbaar (VU); in West-Australië staat de soort als Priority Two. Niet in CITES. Een enkele bekende groeiplaats maakt de soort gevoelig voor elke verstoring: te frequente branden, Phytophthora-wortelrot die de begeleidende struiken aantast, en betreding.

Wetenschappelijke naam

Drosera gibsonii | Mann, 2007

Beschreven door P. Mann in 2007, in "Drosera gibsonii (Droseraceae), a new Pygmy Drosera from south-west Western Australia", Nuytsia, deel 16, nr. 2, p. 321-323. Stirling Range National Park, West-Australië — de enige bekende populatie/vindplaats van deze soort. Vernoemd naar een persoon met de achternaam Gibson, maar wie precies geëerd wordt kon niet worden achterhaald.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.