Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera fulva

Drosera fulva

Drosera fulva is een zonnedauw met een lange naamgeschiedenis. Planchon beschreef hem al in 1848, naar exemplaren die John Armstrong tussen 1838 en 1840 bij Port Essington in het Northern Territory voor Kew had verzameld. Vrijwel alle latere auteurs behandelden de naam echter als synoniem van D. petiolaris, totdat Allen Lowrie hem in de jaren negentig weer als aparte soort erkende. De naam, Latijn voor 'roodbruin' of 'geelbruin', verwijst naar de kleur van de beharing.

Drosera fulva
Foto: Aletariel in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een compacte, meerjarige basale rozet uit het D. petiolaris-complex, met lange bladstelen en kleine rode vangschijfjes van ongeveer 2 tot 3 mm doorsnee. Delen van de plant dragen een roodbruine tot geelbruine beharing. De bloeiwijzen zijn hoog, 25 tot 45 cm, met trossen van vijftig of meer witte, soms roze bloemen. De soort vormt verschillende typen rozetbladeren gedurende het seizoen, een van de kenmerken waarop Lowrie haar van verwanten onderscheidde.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn Drosera brevicornis en D. dilatatopetiolaris. D. fulva verschilt van beide in de hoogte van de bloeiwijze, de typen rozetbladeren en kenmerken van de vrucht. D. dilatatopetiolaris is het makkelijkst te onderscheiden door zijn brede, groene bladstelen; D. darwinensis, die in hetzelfde gebied rond Darwin voorkomt, heeft veel kortere bloeiwijzen van 5 tot 15 cm. D. petiolaris mist de roodbruine beharing.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De kleine rode schijfjes aan het eind van de stelen dragen kliertentakels met kleverig slijm, waarin kleine insecten blijven hangen; de tentakels buigen vervolgens naar de prooi en de klieren verteren haar. De vangst valt vooral in de regentijd, als de rozetten actief groeien.

Standplaats en ecologie

Vochtige zandgrond in tijdelijke natte laagten die boven het niveau van de seizoensoverstromingen liggen, en in sijpelzones (W7), in open savannebosland (B6). In de droge tijd overleeft de plant als klein knopje van kleinere bladeren.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het Northern Territory. De huidige bekende vindplaatsen liggen rond Darwin, tussen Koolpinyah en Noonamah; daarnaast is er de historische collectie van Port Essington op het Cobourg-schiereiland. De gebiedsomschrijving 'Noord-Australië (Northern Territory)' past daarbij, al is het werkelijke areaal klein. Hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 24 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. De ruim anderhalve eeuw durende verwarring met D. petiolaris betekent dat oudere gegevens onder die naam uit de omgeving van Darwin deels op D. fulva betrekking kunnen hebben. De soort vormt met D. brevicornis en D. dilatatopetiolaris een groepje nauw verwante soorten binnen het complex.

Waar en wanneer te zien

Zoek van februari tot mei, als de hoge bloeistengels verschijnen, in tijdelijk natte, zandige laagten en sijpelplekken in de savanne tussen Darwin en Noonamah. De rozetten zijn klein, maar de lange witte bloeitrossen zijn van ver te zien. Veel groeiplaatsen liggen op of naast particulier land; vraag toestemming en blijf op paden.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Lowrie beoordeelde hem in 1996 als algemeen en niet bedreigd. Het bekende areaal is echter klein en ligt in de snelst groeiende regio van het Northern Territory, waar stadsuitbreiding, landbouw, veranderingen in het brandregime en invasieve grassen reële lokale bedreigingen vormen.

Wetenschappelijke naam

Drosera fulva | Planchon, 1848

Beschreven door Jules Émile Planchon in 1848, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, serie 3, deel 9, p. 289 — dezelfde publicatie waarin Planchon ook D. ramentacea var. glabripes (basionym van D. glabripes, verderop in deze golf) beschreef. Port Essington, Northern Territory, Australië — materiaal verzameld tussen 1838 en 1840 door botanicus John W. Armstrong. Van het Latijnse fulvus ("vaalgeel, roodachtig goud") — verwijst vermoedelijk naar de kleur van de plant of het blad.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.