Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera graminifolia
Drosera graminifolia
Een zonnedauw met bladeren als grassprieten. Drosera graminifolia behoort tot de groep van langbladige, meerjarige soorten uit de bergen van Zuidoost-Brazilië die rond Drosera villosa zijn gegroepeerd. Saint-Hilaire beschreef haar al in 1826, maar pas de revisie van dat complex in 2015 gaf haar weer een duidelijke plaats, en een veel kleiner areaal dan de oudere literatuur suggereert.

Herkenning
Een rozet van lange, smalle, rechtopstaande bladeren waarin bladsteel en bladschijf bijna ongemerkt in elkaar overgaan, zodat het geheel eerder op een pol gras dan op een zonnedauw lijkt. Alleen het bovenste deel van het blad draagt tentakels; bij jonge bladeren is de top naar binnen gerold, zoals bij veel verwanten. De bloeistengel is lang, komt ver boven de rozet uit en draagt een reeks roze bloemen. Omdat de maten uit de revisie niet konden worden ingezien en oudere maten op een ruimere opvatting slaan, blijven de maatvelden leeg.
Gelijkende soorten
De verwanten binnen het D. villosa-complex lijken het meest: Drosera villosa zelf heeft een duidelijker afgezette bladschijf op een lange, behaarde bladsteel; Drosera latifolia heeft kortere bladstelen en bredere, lancetvormige bladschijven; Drosera chimaera en Drosera ascendens zijn andere Minas Gerais-soorten uit dezelfde groep. De grasachtige, lange smalle bladeren zijn het beste veldkenmerk, maar door de vele overgangsvormen en lokale morfotypen is determinatie aan de hand van een recente sleutel sterk aan te raden.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval, maar een die door de vorm van het blad anders werkt dan bij de platte rozetsoorten. Omdat de bladeren rechtop staan, vangen ze vooral vliegende insecten die tegen de kleverige toppen aan vliegen of erop landen. De tentakels buigen naar de prooi toe en het smalle blad kan zich er gedeeltelijk omheen krullen.
Standplaats en ecologie
Natte, open plekken in de hooggelegen campos rupestres: sijpelwater over en rond rotsplaten, drassige zandige of venige grond langs beekjes en in kwelplekken van bergweiden (R1, W4). De plant staat vaak tussen grassen en zeggen, waar haar grasachtige vorm haar goed camoufleert. Ze verlangt volle zon en permanent natte grond in het groeiseizoen.
Verspreiding en hoogte
Volgens de Braziliaanse synopsis van 2022 endemisch voor de deelstaat Minas Gerais in Zuidoost-Brazilië; vermeldingen uit andere staten in oudere literatuur hebben grotendeels betrekking op soorten die toen nog tot D. graminifolia of D. villosa werden gerekend. Een gepubliceerd hoogtebereik is hier niet overgenomen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten erkend. De ingewikkelde naamgeschiedenis van het D. villosa-complex is het belangrijkste punt: in 2015 werden de bijna twee eeuwen oude, lang verwaarloosde soortopvattingen van Saint-Hilaire weer in ere hersteld, waardoor ook D. graminifolia een scherpere omschrijving kreeg, en werden nieuwe soorten als D. chimaera beschreven. Namen op oude etiketten en in hobbyliteratuur zijn daarom vaak niet te vertrouwen.
Waar en wanneer te zien
Zoek in het natte seizoen naar grasachtige pollen met glinsterende bladtoppen op sijpelplekken in de bergweiden van Minas Gerais. De plant valt het meest op als hij bloeit, omdat de lange roze bloeistengels dan boven het gras uitsteken. Bekijk de bladvorm goed en maak foto's van blad en bloeistengel voor determinatie achteraf.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Doordat het areaal na de revisie beperkt blijkt tot één deelstaat, is de soort kwetsbaarder dan vroeger werd aangenomen. De campos rupestres worden bedreigd door branden, invasieve grassen, mijnbouw en toerisme, maar een deel van de groeiplaatsen ligt in beschermde gebieden.
Wetenschappelijke naam
Drosera graminifolia | Saint-Hilaire, 1824
Beschreven door Auguste de Saint-Hilaire, in "Histoire des plantes remarquables du Brésil et du Paraguay", deel 1, p. 269 — bronnen verschillen over het exacte jaar (1824 of 1826), vermoedelijk door het verschil tussen aflevering en gebonden band. De precieze typelocatie kon niet worden bevestigd. De soort is endemisch voor de Serra do Caraça, Minas Gerais, Brazilië — dit betreft echter het huidige verspreidingsgebied, niet noodzakelijk de typelocatie zelf. Van het Latijnse gramen/graminis ("gras") en folium ("blad") — "grasbladig", verwijzend naar de smalle, grasachtige bladeren.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.