Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera gunniana
Drosera gunniana
Drosera gunniana is het jongste lid van het ontrafelde D. peltata-complex. Planchon beschreef de plant in 1848 als variëteit gunniana van D. peltata, maar pas in 2018 verhief Miguel de Salas haar tot soort. Het is een forse, bebladerde knolzonnedauw van grazig bosland in Zuidoost-Australië en Tasmanië, die ook in het noorden van Nieuw-Zeeland voorkomt, waar hij eerder als D. peltata en daarna als D. hookeri werd opgegeven.

Herkenning
Uit een roze tot rode knol groeit in de winter een basale rozet van halfronde tot halvemaanvormige, niet-schildvormige bladeren van 5 tot 10 mm, die bij de bloei meestal nog aanwezig is. Daarna volgt een rechtopstaande stengel van meestal 8 tot 22 cm, soms meer dan 30 cm, groen tot rood en aan de voet vaak oranje of rood aangelopen, doorgaans met één duidelijke hoofdstengel die alleen in het bovenste deel vertakt. De stengelbladeren zijn geelgroen, soms roodachtig, schildvormig en halvemaanvormig met oortjes, 5 tot 6 mm, op steeltjes van 7 tot 10 mm. De knoppen zijn bijna bolvormig; de kelkbladen zijn groen of zwartachtig en dicht behaard met haren van 0,8 tot 1,2 mm. De kroonbladen zijn roze of wit, 5 tot 8 mm, en drogen roze op.
Gelijkende soorten
De determinatie binnen het complex berust op details. Drosera hookeri is kleiner (tot ongeveer 10 cm), vaak vanaf de voet herhaald vertakt, met witte knollen, schaars behaarde kelkbladen (haren korter dan 0,6 mm) en kleinere witte kroonbladen van 4 tot 4,5 mm; hij groeit in vochtig, open grasland. D. peltata in strikte zin heeft zeer slanke, vaak bladarme stengels. D. auriculata heeft volkomen kale kelkbladen. Een loep op de kelk is daarom onmisbaar.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De schildvormige, halvemaanvormige stengelbladeren dragen randtentakels die aan de 'oortjes' het langst zijn en snel naar een aangekleefd insect buigen; kortere tentakels in het midden verteren de prooi. Omdat de bladeren over de hele hoogte van de stengel verspreid staan, vangt de plant zowel kruipende als laagvliegende insecten.
Standplaats en ecologie
Bosland, grazig bosland en open, grazige plekken tot en met gazons (B6, H2), in Australië op lage tot middelhoge hoogte. In Nieuw-Zeeland groeit hij op vastgelegde kustduinen, kleipannen en soms veen, meestal in laag gumland-struweel en aangrenzend struikgewas (B5); hij is daar vaak talrijk na branden en heeft een voorkeur voor vaak verstoorde grond. In de zomer rust de plant als knol.
Verspreiding en hoogte
Zuidoost-Australië — New South Wales, Victoria, Zuid-Australië en Tasmanië (vooral het oosten) — en het Noordereiland van Nieuw-Zeeland, van Te Paki zuidwaarts tot het noorden van Waikato. De gebiedsomschrijving noemt Nieuw-Zeeland niet; volgens het New Zealand Plant Conservation Network hoort de soort daar echter wel bij de inheemse flora. Hoogtegrenzen zijn niet exact gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De combinatie D. gunniana (Planch.) de Salas is gebaseerd op D. peltata var. gunniana Planch. uit 1848. In de herzieningen van Gibson, Conn en collega's (2010–2012) werden planten die nu tot D. gunniana worden gerekend deels onder D. hookeri geplaatst; De Salas scheidde ze op grond van grootte, vertakking, beharing van de kelk, knolkleur en kroonbladgrootte. Daardoor verschillen bronnen van voor en na 2018 in hun afbakening van beide soorten, vooral wat betreft de Nieuw-Zeelandse planten.
Waar en wanneer te zien
Zoek in de Australische lente, september tot november, in grazig eucalyptusbos en op open grazige plekken, zelfs in parkgazons. De bebladerde stengels met roze bloemen vallen tussen gras goed op. In Nieuw-Zeeland is het uiterste noorden, in gumland en na branden, de beste plek. Graaf geen knollen uit en betreed geen kwetsbare kustduinvegetatie.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. In Nieuw-Zeeland wordt hij sinds 2009 ongewijzigd aangemerkt als 'Non-resident Native – Coloniser', een inheemse soort die zich er waarschijnlijk op eigen kracht heeft gevestigd. In Zuidoost-Australië lijkt hij wijdverbreid; door de recente afsplitsing is een aparte beoordeling van de status daar nog niet beschikbaar.
Wetenschappelijke naam
Drosera gunniana | (Planchon) de Salas, 2018
Oorspronkelijk beschreven als Drosera peltata var. gunniana door Jules Émile Planchon in 1848, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, serie 3, deel 9, p. 297-298. Verheven tot volwaardige soort als Drosera gunniana (Planch.) de Salas door Miguel de Salas in 2018, in Muelleria, deel 36, p. 92 (of p. 102, bronnen wijken licht af). De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald, noch voor het basioniem uit 1848 noch voor de combinatie uit 2018. Zeer waarschijnlijk vernoemd naar Ronald Campbell Gunn (1808-1881), de bekende Tasmaanse plantenverzamelaar naar wie tal van Australische soortnamen zijn vernoemd door zijn 19e-eeuwse tijdgenoten, waaronder Planchon. Dit blijft echter een sterke contextuele aanname, geen letterlijk bevestigd feit voor deze specifieke naam.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.