Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera grievei
Drosera grievei
Een van de kleinste dwergzonnedauwen in deze gids, met een totale hoogte van hooguit 3 cm. Allen Lowrie en Neville Marchant beschreven Drosera grievei in 1992 in het tijdschrift Nuytsia, in een artikel met vier nieuwe zonnedauwtaxa uit het zuidwesten, waaronder ook D. browniana en de dwergzonnedauw D. sargentii. De naam eert vermoedelijk een verzamelaar of kenner met de achternaam Grieve; de toegankelijke bronnen geven daarover geen uitsluitsel.

Herkenning
Een meerjarige dwergzonnedauw met vezelige wortels, met de bloeistengel tot 3 cm hoog. Zoals bij alle dwergzonnedauwen staat in het hart van de kleine rozet een kegel van zilverachtige steunblaadjes, die de plant in de zomer als rustknop beschermt. De bloemen zijn wit en verschijnen in september. Precieze maten van bladeren, steunblaadjes en bloemen staan in de oorspronkelijke beschrijving in Nuytsia 8, die voor deze gids niet kon worden ingezien.
Gelijkende soorten
In het zuidwesten zijn tientallen witbloeiende dwergzonnedauwen. D. grievei valt op door zijn geringe hoogte, de bloei in september en zijn standplaats op kleiig zand. Voor een zekere determinatie zijn de kenmerken van steunblaadjes, kelk en stijlen onder de loep nodig, en een vergelijking met de oorspronkelijke beschrijving.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op de kleinste schaal. De bladeren, van slechts enkele millimeters, dragen gesteelde klieren met kleefdruppels waarin springstaarten, mijten en minuscule insecten vastraken. De tentakels buigen zich naar de prooi en scheiden verteringsenzymen af.
Standplaats en ecologie
Kleiig zand (FloraBase), in de open begroeiing van heide en struweel in het zuiden van West-Australië (B5). In de winter is de grond vochtig; in de zomer droogt hij uit en rust de plant als knop van steunblaadjes.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in het zuidwesten van West-Australië. FloraBase noemt de bioregio's Esperance Plains, Jarrah Forest en Mallee, dus het zuidelijke deel van het gebied tussen het jarrahbos en de zuidkust.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals alle dwergzonnedauwen vermeerdert de soort zich ook met broedknopjes (gemmae), die in de late herfst in het hart van de rozet ontstaan en door regendruppels worden weggeslagen.
Waar en wanneer te zien
September is de maand. Zoek op kale, kleiig-zandige plekken in open heide, bij zonnig weer rond het middaguur. Een rozetje van een centimeter met een bloem op een paar centimeter hoogte vraagt om geduld en een loep; kniel en scan de grond systematisch.
Staat van instandhouding
De IUCN-code in deze gids is niet bedreigd (LC). In West-Australië staat de soort echter als Priority Three, de categorie voor soorten die van meerdere plaatsen bekend zijn maar mogelijk bedreigd worden en nader onderzoek vereisen. Niet in CITES. Het verschil tussen beide beoordelingen weerspiegelt vooral de schaarste aan gegevens.
Wetenschappelijke naam
Drosera grievei | Lowrie & Marchant, 1992
Beschreven door Allen Lowrie & Neil G. Marchant in 1992, in Nuytsia, deel 8, p. 328. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort is beperkt tot zuidwestelijk Australië en geldt als zeer zeldzaam (Priority One-status in West-Australië). Vernoemd naar professor Brian Grieve, die een grote bijdrage leverde aan de kennis van de West-Australische flora.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.