Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera leucostigma

Drosera leucostigma

Een witbloeiende dwergzonnedauw die laat in het seizoen bloeit, wanneer de meeste verwanten al in hun zomerrust gaan. De naam leucostigma betekent 'witte stempel'. Neville Marchant en Allen Lowrie beschreven de plant in 1992 als ondersoort van een andere dwergzonnedauw, naar alle waarschijnlijkheid Drosera nitidula; later verhieven Lowrie en John Conran hem tot soort, wat de dubbele auteursvermelding verklaart.

Drosera leucostigma
Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, vezelwortelige, overblijvende rozet die tot 5 cm hoog wordt, met in het hart de pluk stipels die alle dwergzonnedauwen kenmerkt. De bloemen zijn wit en verschijnen van november tot december, soms nog in januari — laat voor een dwergzonnedauw. Zoals de naam zegt, zijn ook de stempels wit. Nauwkeurige blad- en bloemmaten hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.

Gelijkende soorten

Er zijn meerdere witbloeiende dwergzonnedauwen in het zuidwesten, en zonder bloem is geen ervan betrouwbaar te herkennen. De late bloei en de witte stempels zijn de beste aanknopingspunten. Soorten met gekleurde (bijvoorbeeld rode of zwarte) stempels of met een oranje of roze bloem vallen daarmee af. Voor een zekere determinatie is de sleutel in Lowrie (2013) nodig.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. De bladschijfjes dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel; de lange randtentakels vangen de prooi en buigen haar naar het midden van het blad, waar kortere klieren de vertering overnemen. De prooi bestaat uit de kleinste bodemdieren en vliegjes.

Standplaats en ecologie

Zandige bodems aan de randen van laagten die in de winter nat staan (W7, D1). Doordat de plant aan de rand van zo'n laagte groeit, blijft de grond er langer vochtig dan op de omringende zandvlakte, wat de late bloei mogelijk maakt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië. FloraBase noemt de bioregio's Geraldton Sandplains (deelgebied Lesueur Sandplain) en Jarrah Forest (Northern Jarrah Forest), dus het gebied ten noorden en noordoosten van Perth.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten; de plant was zelf ooit een ondersoort. Zoals de meeste dwergzonnedauwen vormt hij broedknoppen (gemmae) in het hart van de rozet, die door regendruppels worden verspreid.

Waar en wanneer te zien

Zoek laat in het voorjaar, eind november of begin december, aan de randen van natte laagten in de zandvlakten ten noorden van Perth. De witte bloemen zijn klein en alleen bij zon open. Omdat de soort als bedreigd en slecht bekend geldt, is elke goed gedocumenteerde waarneming waardevol voor het West-Australische herbarium; meld die liever dan de plaats openbaar te maken.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als kwetsbaar (VU). In West-Australië staat hij als Priority One op de lijst van slecht bekende flora: bekend van weinig groeiplaatsen, waarvan een deel buiten beschermd gebied. In CITES is hij niet opgenomen. Ontwatering van natte laagten, ontginning en veranderende regenval in het zuidwesten zijn de voornaamste bedreigingen. Onzekerheid: de naam van de soort waarvan hij oorspronkelijk een ondersoort was, hebben we niet in een bron kunnen controleren.

Wetenschappelijke naam

Drosera leucostigma | (Marchant & Lowrie) Lowrie & Conran, 1996

Oorspronkelijk beschreven als Drosera nitidula subsp. leucostigma door N.G. Marchant & Lowrie (dezelfde revisie van 34 West-Australische taxa als eerder in de gids genoemd, 1992, Kew Bulletin 47(2)). Verheven tot volwaardige soort door Lowrie & Conran in 2007, in Taxon, deel 56, nr. 2, p. 539, als onderdeel van "A Revision of the Drosera omissa/D. nitidula Complex". De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort is endemisch voor zuidwestelijk West-Australië en geldt als kwetsbaar. Van het Griekse leukos ("wit") en stigma — "witte stempel", vermoedelijk verwijzend naar een witte stamperstempel die deze soort onderscheidt van verwante taxa.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.