Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera lowriei
Drosera lowriei
Een knolzonnedauw die niet omhoog groeit maar plat tegen de grond een rozet vormt, zoals de bekende Drosera erythrorhiza. Neville Marchant beschreef hem in 1992 en noemde hem naar Allen Lowrie, de man die meer Australische zonnedauwen beschreef dan wie ook. Het type werd in 1984 verzameld bij een granietkop in het binnenland ten noordwesten van Esperance.

Herkenning
Een overblijvende plant met een ondergrondse knol en een platte rozet tot 4 cm breed en 2 cm hoog. De bladeren overlappen elkaar, zijn groen tot rood, omgekeerd eirond tot spatelvormig en worden naar het hart van de rozet toe kleiner. Uit het midden komt een korte bloemsteel van ongeveer 1,5 cm met een enkele witte bloem; de kelkbladen zijn eirond, 3,5 mm lang en 1,5 mm breed. Na de bloei gaan de bloemstelen liggen en rijpen de doosvruchten met bolvormige zaden tegen de grond. Bloei van juni tot september.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Drosera zonaria, een andere rozetvormende knolzonnedauw uit het zuiden. Andere soorten uit dezelfde sectie, zoals D. erythrorhiza en D. macrophylla, zijn groter en dragen meerdere bloemen per bloeiwijze op een hogere steel. De combinatie van een kleine, platte rozet, een enkele witte bloem op een zeer korte steel en liggende vruchtstelen is kenmerkend voor D. lowriei.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De bovenzijde van de platliggende bladeren is bezet met gesteelde klieren met kleverige druppels, die kruipende en laag vliegende insecten vangen: mieren, springstaarten, kleine vliegjes. Na een vangst buigen de tentakels naar de prooi en worden verteringsenzymen afgescheiden. De reserves voor het volgende jaar zitten in de knol, die elk seizoen opnieuw wordt aangelegd.
Standplaats en ecologie
Leemgrond en grof zand in de nattere zones bij granietkoppen (R3, W7, D1), waar het regenwater van de rots afstroomt en de bodem in de winter lang vochtig blijft. In de zomer droogt alles uit en overleeft de plant als knol.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuidwest-Australië, in het binnenland ten noordwesten van Esperance. FloraBase noemt de bioregio's Avon Wheatbelt, Coolgardie, Esperance Plains en Mallee, met onder meer de deelgebieden Fitzgerald, Recherche, Southern Cross en Western Mallee.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten. In 2000 plaatsten de Tsjechische botanici Chrtek en Slavíková de soort in een apart geslacht, Sondera, als Sondera lowriei; die indeling wordt niet gevolgd. De soort hoort bij de sectie Erythrorhiza, de rozetvormende knolzonnedauwen.
Waar en wanneer te zien
Ga in juli of augustus naar de randen van granietkoppen in de oostelijke Wheatbelt en de Mallee, en zoek waar het water van de rots afloopt en een smalle strook leem of grof zand vochtig houdt. De platte rozetten zijn rood en vallen tussen het mos en de korstmossen op; de witte bloemen staan zo laag dat je moet knielen om ze te zien.
Staat van instandhouding
Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC); in West-Australië geldt hij als niet bedreigd. In CITES is hij niet opgenomen. Granietkoppen zijn in de Wheatbelt vaak de laatste stukjes natuur in een landschap van akkers, en worden bedreigd door begrazing, onkruid en verzilting van de omgeving.
Wetenschappelijke naam
Drosera lowriei | Marchant, 1992
Beschreven door N.G. Marchant (met A. Lowrie), in "New names and new combinations in 34 taxa of Western Australian tuberous and pygmy Drosera", Kew Bulletin, deel 47, nr. 2, p. 315-328 (1992). Verzameld door A. Lowrie bij "Purnta Rock", West-Australië, op 12 september 1984. "Purnta Rock", West-Australië. Vernoemd naar Allen Lowrie, de vooraanstaande Australische onderzoeker en verzamelaar van vleesetende planten die in deze gids talloze malen als (mede-)beschrijver terugkeert.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.