Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera neesii

Drosera neesii

De 'Jewel Rainbow' van West-Australië, een rechtopstaande tot slingerende knolzonnedauw met roze bloemen. Johann Georg Christian Lehmann beschreef hem in 1844, op basis van de collecties die de Duitse verzamelaar Ludwig Preiss kort daarvoor in de Swan River-kolonie had gemaakt; de naam eert de Duitse botanicus Christian Gottfried Nees von Esenbeck.

Drosera neesii
Foto: Harriet Lynch — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een overblijvende plant die elk jaar uit een ondergrondse knol een rechtopstaande of slingerende stengel van 15 tot 60 cm maakt. Langs de stengel staan kleine, komvormige vangbladen in groepjes van drie, een kenmerk dat de soort van veel verwanten onderscheidt. De bloemen zijn roze en verschijnen over een lange periode, van augustus tot december. Precieze blad- en bloemmaten hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.

Gelijkende soorten

Drosera menziesii heeft eveneens roze bloemen en groeit in vergelijkbare leefgebieden maar heeft ronde, niet komvormige bladeren en een golvende stengel. D. sulphurea, met gele bloemen, werd door George Bentham ooit als variëteit bij D. neesii ondergebracht, maar die indeling is teruggedraaid. De komvormige bladeren in drietallen zijn het meest bruikbare kenmerk.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De komvormige bladschijfjes dragen randtentakels met kleverige druppels die kleine vliegende insecten vangen. Na een vangst buigen de tentakels naar binnen en drukken de prooi in de kom, waar de vertering plaatsvindt. Bij slingerende planten helpen de kleverige bladeren de stengel om zich aan de omringende vegetatie vast te houden.

Standplaats en ecologie

Plekken naast moerassen en bij granietkoppen, op zand, klei of lateriet (W7, R3, D3, D1). De grond is er in de winter nat en in de zomer droog; de plant groeit in de natte maanden, bloeit tot laat in het voorjaar en overleeft de zomer als knol.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië. De ondersoort borealis is beperkt tot het noordelijke deel van het areaal. Een nauwkeuriger verspreidingsbeschrijving hebben we niet uit FloraBase kunnen halen.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 72 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In 1982 beschreef Neville Marchant D. neesii subsp. borealis, die alleen in het noordelijke deel van het areaal voorkomt; daarnaast staat de typische subsp. neesii. De soort hoort bij de sectie Ergaleium.

Waar en wanneer te zien

Door de lange bloeitijd is de soort van augustus tot in december te vinden, met het meeste kans in september en oktober. Zoek aan de randen van moerassen en granietkoppen, en tel de bladeren: komvormige bladeren in groepjes van drie wijzen op D. neesii.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC). In CITES is hij niet opgenomen. Zoals voor veel knolzonnedauwen van natte laagten en granietkoppen vormen ontwatering, ontginning, onkruid en een veranderend brandregime de voornaamste risico's. Onzekerheid: het precieze areaal en de grens tussen de ondersoorten hebben we niet kunnen controleren.

Wetenschappelijke naam

Drosera neesii | Lehmann, 1844

Drosera neesii werd in 1844 beschreven door de Duitse botanicus Johann Georg Christian Lehmann, in Novarum et Minus Cognitarum Stirpium Pugillus 8, p. 42. Volgens gegevens uit de GBIF-database is een typespecimen verzameld door Ludwig Preiss in oktober 1840 bij Princess Royal Harbour (nabij Albany, Westelijk Australië) — een aannemelijke oorsprong, aangezien Lehmann in deze periode veel West-Australische soorten beschreef op basis van Preiss' verzamelingen. Welk specimen precies als origineel type door Lehmann is aangewezen, kon niet met volledige zekerheid worden vastgesteld. De naam is vermoedelijk een eponiem, gevormd met "-ii" naar de achternaam Nees, wat wijst op de Duitse botanicus Christian Gottfried Daniel Nees von Esenbeck (1776–1858), een tijdgenoot van Lehmann. Dit kon echter niet met volledige zekerheid worden bevestigd aan de hand van de geraadpleegde bronnen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.