Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera neocaledonica
Drosera neocaledonica
De enige zonnedauw van Nieuw-Caledonië, en een plant die daar net zo bij het landschap hoort als de rode, ijzerrijke aarde van het zuidelijk massief. Drosera neocaledonica werd in 1906 beschreven door de Franse botanicus Raymond-Hamet en groeit vrijwel alleen op ultramafisch gesteente, in open struikvegetatie en moerasjes van het zuiden van Grande Terre. Opvallend is dat de plant in cultuur ook zonder die zware, metaalrijke grond gedijt: zijn binding aan ultramafische bodems lijkt eerder een kwestie van concurrentie dan van noodzaak.


Herkenning
Een overblijvende rozet die op een kort stengeltje staat, met halfopgerichte bladeren. De bladschijf is smal spatelvormig tot langwerpig en met tentakels bezet; de bladsteel draagt opvallende witte borstelharen, een goed kenmerk. De bloemen zijn voor een zonnedauw van dit formaat groot, ongeveer 2 cm in doorsnede, met wigvormige tot omgekeerd eironde kroonbladen van ongeveer 10 bij 4 tot 5 mm. De zaden zijn ellipsoïde en fijn gestructureerd. De bloemkleur wordt in de geraadpleegde bron niet vermeld en is daarom niet ingevuld.
Gelijkende soorten
Op Nieuw-Caledonië is er geen andere zonnedauw om hem mee te verwarren. Binnen het geslacht is hij verwant aan Drosera spatulata, en volgens de beschrijvers van D. ultramafica ook aan die soort en aan D. oblanceolata uit Zuid-China. Van de spatulata-groep onderscheidt D. neocaledonica zich door de stengelvormende rozet, de borstelig behaarde bladstelen en de grote bloemen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De tentakels op de bladschijf dragen druppels kleverig slijm; een insect dat erin terechtkomt, blijft plakken en wordt door de naar binnen buigende tentakels verder vastgezet. Daarna scheiden de klieren enzymen af en nemen de vrijgekomen voedingsstoffen op. Op de uiterst voedselarme ultramafische bodems — arm aan fosfor en kalium, rijk aan nikkel en magnesium — is dit een wezenlijke aanvulling op wat de wortels kunnen opnemen.
Standplaats en ecologie
Vooral ultramafische bodems (R4) in open vegetatie: het lage, harde struikgewas dat op Nieuw-Caledonië als maquis minier bekendstaat (B5), en natte, open moerasjes en kwelplekken op hetzelfde gesteente (W4). In bos staat de soort minder vaak. Het hoogtebereik loopt van ongeveer 50 tot 1280 m. De binding aan ultramafisch gesteente is in de natuur vrijwel volledig.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Nieuw-Caledonië, en daar beperkt tot het zuidelijk ultramafisch massief van Grande Terre, van Port-Boisé in het zuiden noordwaarts tot ongeveer Dogny. Het hoogtebereik is 50 tot 1280 m.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. Enkele oudere namen, waaronder Drosera caledonica en de nooit geldig gepubliceerde naam D. rubiginosa, gelden als synoniemen. Planten in de volle zon zijn roder en compacter dan planten in halfschaduw.
Waar en wanneer te zien
Het zuidelijk massief is goed bereikbaar vanuit Nouméa, en de rode vlakten en struikgebieden ten zuiden en oosten van de stad liggen deels in natuurparken met wandelpaden. Zoek op natte, open plekken in de maquis en langs beekjes op rode grond. Blijf op de paden: de maquis herstelt zich na beschadiging uiterst traag.
Staat van instandhouding
Op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst staat de soort als niet bedreigd (LC); in CITES komt hij niet voor. Het areaal is klein, maar binnen het zuidelijk massief is de soort op geschikte plekken niet zeldzaam. De ultramafische gebieden van Nieuw-Caledonië staan wel onder zware druk van nikkelmijnbouw en van branden, die grote delen van de maquis hebben aangetast; behoud van de soort hangt samen met het behoud van dat landschap.
Wetenschappelijke naam
Drosera neocaledonica | Hamet, 1906
Drosera neocaledonica werd in 1906 beschreven door de Franse botanicus Raymond-Hamet, in Bulletin de la Société Botanique de France, deel 53, p. 151–152. De soort is endemisch voor Nieuw-Caledonië en komt voor op Grande Terre. De precieze typevindplaats, verzamelaar en verzameldatum konden niet met zekerheid worden achterhaald. De naam is een toponiem, samengesteld uit het Grieks/Latijnse "neo-" ("nieuw") en "caledonica" ("van Caledonië"), en betekent dus "van Nieuw-Caledonië" — verwijzend naar de eilandengroep waar de soort endemisch is.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.