Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera oreopodion
Drosera oreopodion
Een van de kleinste vleesetende planten die bekend zijn, en een van de zeldzaamste zonnedauwen van Australië. Drosera oreopodion was tot 1987 onbekend; in dat jaar vond Allen Lowrie de plant, en in juni 1992 beschreven Neville Marchant en Lowrie hem formeel. De naam komt uit het Grieks en betekent 'voet van de berg', naar de uitlopers van de Darling Range waar de soort groeit.



Herkenning
Een dwergzonnedauw van extreem kleine afmetingen. De bladeren zijn ongeveer 5,5 mm lang, met een ronde, kleverige bladschijf van slechts 1,5 mm breed. De bloeiwijze is zeer dun, bijna haarfijn, en ongeveer 3,5 cm hoog. Zoals alle dwergzonnedauwen heeft de plant in het hart van de rozet een pluk stipels. Bloemkleur en bloeitijd hebben we niet in een geraadpleegde bron gevonden.
Gelijkende soorten
Door zijn minuscule formaat is de soort alleen te verwarren met andere zeer kleine dwergzonnedauwen, zoals Drosera occidentalis van de wetlands in de kustvlakte en D. pygmaea. De haarfijne bloeiwijze en de standplaats in de uitlopers van de Darling Range zijn aanwijzingen; zekerheid vraagt om een specialist.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op de kleinst denkbare schaal. Het bladschijfje van anderhalve millimeter draagt enkele gesteelde klieren met een kleverige druppel, voldoende om springstaarten, mijten en andere micro-geleedpotigen vast te houden. Na een vangst buigen de tentakels naar de prooi en wordt deze verteerd.
Standplaats en ecologie
Een gedetailleerde standplaatsbeschrijving hebben we niet kunnen inzien. De uitlopers van de Darling Range bestaan grotendeels uit lateritische bodems met plekken die 's winters nat staan, en de codes volgen dat algemene beeld (D3, W7). Zoals alle dwergzonnedauwen groeit de plant in de natte winter en rust hij in de zomer.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuidwest-Australië, in de uitlopers van de Darling Range. Vanwege de ernstig bedreigde status geven we geen nauwkeuriger vindplaatsen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven.
Waar en wanneer te zien
Dit is geen soort om gericht naar te zoeken. De bekende groeiplaatsen zijn uiterst kwetsbaar, en een plant van enkele millimeters wordt gemakkelijk vertrapt door iemand die hem zoekt. Wie meer wil zien, kan beter terecht bij de publicaties en foto's van West-Australische botanici en bij georganiseerde excursies van natuurorganisaties.
Staat van instandhouding
Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als ernstig bedreigd (Critically Endangered, CR). In CITES is hij niet opgenomen. De uitlopers van de Darling Range liggen aan de rand van de agglomeratie Perth, waar ontginning, bebouwing, grindwinning, onkruid en een veranderd brandregime de laterietflora onder druk zetten. Voor een soort die van zo weinig plekken bekend is, kan één ingreep beslissend zijn. Onzekerheid: bloemkleur, bloeitijd en het precieze aantal groeiplaatsen hebben we niet in een bron kunnen controleren.
Wetenschappelijke naam
Drosera oreopodion | Marchant & Lowrie, 1992
Drosera oreopodion werd in 1992 beschreven door Neville Marchant en Allen Lowrie, in de Kew Bulletin, deel 47, aflevering 2, pagina 326. Het type werd verzameld door Allen Lowrie op 19 oktober 1987 bij Serpentine-Jarrahdale, in de Darling Range van West-Australië, aan de voet van het gebergte, in kleiige zand vermengd met lateriet-keitjes, in laag heidelandschap. Het specimen (veldnummer 87/032) wordt bewaard in het herbarium PERTH onder nummer PERTH 2344793. Het epitheton oreopodion is samengesteld uit het Grieks oros ("berg") en podion ("voetje"), en betekent letterlijk "voet van de berg." Het is een beschrijvend, quasi-toponymisch epitheton: de soort komt voor aan de voet van de Darling Range, onder meer bij Armadale en Pinjarra in West-Australië.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.