Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera parvula
Drosera parvula
Een dwergzonnedauw van het zuiden van West-Australië, zo klein dat een volwassen plant op een vingertop past. Drosera parvula — de naam betekent letterlijk 'de heel kleine' — hoort bij de ruim veertig dwergsoorten waar dit deel van Australië om bekendstaat: minuscule rozetjes die in de winter verschijnen, zich in de zomer terugtrekken in een beschermende knop, en zich vooral ongeslachtelijk vermeerderen.

Herkenning
Een vlakke of licht gewelfde rozet van spatelvormige bladeren met een klein, rond bladschijfje aan het eind; inclusief de bloeiwijze wordt de plant hoogstens 5 cm hoog. Het hart van de rozet is gevuld met zilverachtige steunblaadjes (stipels), die samen een dichte knop vormen — kenmerkend voor de dwergzonnedauwen en bij deze soort sterk ontwikkeld. De bloemen zijn wit en verschijnen van oktober tot december op een dunne stengel. Nauwkeurige blad- en bloemmaten zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.
Gelijkende soorten
Er zijn tientallen dwergzonnedauwen in Zuidwest-Australië, en veel ervan zijn zonder loep niet uit elkaar te houden. Drosera pedicellaris, in 2002 beschreven, is een naaste verwant; die heeft opvallend lange bloemsteeltjes en is tot een paar gebieden in het noorden beperkt. Andere witbloeiende dwergsoorten onderscheiden zich door de vorm en kleur van de stipelknop, de beharing van de bloemstengel en de vorm van de stempels — kenmerken die alleen van dichtbij en liefst met een goede sleutel zijn te beoordelen.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.
Standplaats en ecologie
Diep, wit kwartszand (D1), meestal in open heide en struweel op zandvlakten (B5). Het gaat om extreem voedselarm, snel uitdrogend zand dat alleen in de natte winter voldoende vocht vasthoudt. Precies daarom is de dichte stipelknop belangrijk: in de hete, droge zomer beschermt hij het groeipunt tegen uitdroging en felle zon.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor het zuiden van West-Australië, in een band van de omgeving van Perth over Albany tot Ravensthorpe. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.
Vormen en variatie
De soort werd in 1848 beschreven door Jules Émile Planchon. FloraBase, de online flora van het Western Australian Herbarium, voert de naam Drosera parvula niet meer als de actuele naam in strikte zin: in de huidige indeling worden binnen de soort ondersoorten onderscheiden, waaronder subsp. sargentii, die bekendstaat om een uitzonderlijk grote stipelknop in verhouding tot de plant. Welke populaties bij welke ondersoort horen, is in de geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt; dat is een punt van onzekerheid. Zoals bijna alle dwergzonnedauwen vormt ook deze soort in de herfst en winter broedknoppen (gemmae) in het hart van de rozet, waaruit genetisch identieke nieuwe planten groeien.
Waar en wanneer te zien
Zoek van midden in de winter tot in het voorjaar, liefst op een zonnige ochtend, en ga op je knieën: de rozetjes liggen tussen de korstmossen en het blanke zand en vallen pas op als de druppels het licht vangen. In oktober–december staan de witte bloemen erboven. Stap niet in open zand tussen de struiken — daar staan de dwergsoorten, en een schoenzool drukt er in één keer tientallen plat.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES, en in FloraBase aangeduid als niet bedreigd. De soort heeft een ruim areaal. Dat neemt niet weg dat zandvlakten in de graangordel en rond Perth op grote schaal zijn ontgonnen, en dat de plant daar alleen nog in bermen, reservaten en restgebieden staat.
Wetenschappelijke naam
Drosera parvula | Planchon, 1848
Drosera parvula werd in 1848 beschreven door de Franse botanicus Jules Émile Planchon, in de Annales des Sciences Naturelles, Botanique, derde reeks, deel 9, pagina 287. De soort is endemisch in zuidwestelijk West-Australië, waar ze op witte, kiezelrijke zandgrond groeit, onder meer bij Cataby, Wanneroo en Pinjarra. De precieze vindplaats, verzamelaar en verzameldatum van het originele typemateriaal uit 1848 konden echter niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton parvula is het Latijnse verkleinwoord van parvus ("klein"), en betekent dus "heel klein, nietig." Het is een beschrijvende naam voor deze minuscule plant, die tot de zogenoemde "dwerg-zonnedauwsoorten" behoort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.