Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera patens

Drosera patens

Een dwergzonnedauw die pas in 2007 een naam kreeg en die tot de zeldzaamste zonnedauwen van het Perth-gebied behoort. Drosera patens werd beschreven door Allen Lowrie en John Conran in hun herziening van de lastige groep rond D. omissa en D. nitidula. Opvallend is het tijdstip waarop hij bloeit: niet in het voorjaar, zoals de meeste van zijn verwanten, maar midden in de hete zomer.

Drosera patens
Foto: Hugo Innes — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera patens — de bloem
De bloem · Foto: Hugo Innes — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vezelig bewortelde, meerjarige rozetplant van hoogstens 5 cm hoog inclusief de bloeiwijze, met de voor dwergzonnedauwen typische kleine, gesteelde bladschijfjes rond een knop van steunblaadjes. De bloemen zijn wit en verschijnen in december of februari. Dat is een zeldzaam laat bloeitijdstip voor een dwergzonnedauw en in het veld een van de beste aanwijzingen. De soortnaam patens betekent 'uitgespreid'. Nadere maten van blad, bloem en bloeiwijze zijn alleen in de oorspronkelijke beschrijving te vinden en waren niet toegankelijk; die velden blijven leeg.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn de soorten uit dezelfde herziening, rond Drosera nitidula en D. omissa, en de natuurlijke kruisingen die in die groep voorkomen. Daartoe hoort Drosera × sidjamesii, eveneens in 2007 door Lowrie en Conran benoemd en eveneens van meeroevers op de kustvlakte bij Perth, die groenachtig-roze bloeit. De combinatie van witte bloemen, zomerbloei en de natte rand van een seizoensmeer is voor D. patens het beste houvast, maar een zekere determinatie vraagt de oorspronkelijke beschrijving en een loep.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.

Standplaats en ecologie

Zandige bodems aan de randen van seizoensnatte laagten, moerassen en meren (W7, W4). In de winter staan zulke randen onder water of zijn ze verzadigd; in de zomer zakt het water weg en blijft een vochtige zandrand over. Dat verklaart waarschijnlijk de late bloei: de plant groeit en bloeit op de strook die pas vrijkomt als het water zich terugtrekt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor de kustvlakte van Zuidwest-Australië, in de omgeving van Perth. De soort is maar van een klein aantal plaatsen bekend. Omdat hij als bedreigd geldt, geeft deze gids geen nadere vindplaatsen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. De soort werd in 2007 in het tijdschrift Taxon gepubliceerd; die oorspronkelijke beschrijving is vrijwel de enige gedetailleerde bron. Zoals andere dwergzonnedauwen kan hij zich waarschijnlijk ook met broedknoppen vermeerderen, maar dat is in de geraadpleegde bronnen niet specifiek voor deze soort vastgelegd.

Waar en wanneer te zien

Deze soort is niet iets om zelf naar op zoek te gaan. De weinige groeiplaatsen liggen in een zwaar bebouwd stedelijk gebied, in een kwetsbare, smalle oeverzone waar betreding direct schade doet. Wie hem wil zien, kan het beste aansluiten bij een excursie van een plaatselijke plantenvereniging of van het beheer. Buiten de zomerbloei is hij tussen de oeverplanten nauwelijks te herkennen.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als bedreigd (EN) beoordeeld; niet in CITES. In West-Australië staat hij als Priority One-soort geregistreerd: bekend van zeer weinig plaatsen, vaak op onbeschermde grond, en dringend toe aan nadere beoordeling. De bedreigingen zijn die van alle meeroevers op de kustvlakte bij Perth: bebouwing, verlaging van de grondwaterstand, verandering van het waterpeil, eutrofiëring en onkruid.

Wetenschappelijke naam

Drosera patens | Lowrie & Conran, 2007

Drosera patens werd in 2007 beschreven door Allen Lowrie en John G. Conran, in het tijdschrift Taxon, deel 56, aflevering 2, pagina's 533–544, als onderdeel van een herziening van het Drosera omissa/D. nitidula-complex uit zuidwestelijk West-Australië. Planten die nu tot deze soort worden gerekend, werden voordien als ondersoort van D. nitidula beschouwd. Het typemateriaal werd door Allen Lowrie verzameld op 17 januari 1998, in de Swan-regio van West-Australië, aan de rand van moerassen, meren en 's winters natte laagtes, op zandgrond. Het specimen wordt bewaard in het herbarium PERTH onder nummer PERTH 7881274. Het epitheton patens is Latijn voor "zich uitspreidend, open" (van het werkwoord patere, "openstaan, zich uitstrekken"). Vermoedelijk is dit een beschrijvende naam die verwijst naar de open, uitspreidende groeiwijze van de rozet of bladeren, waarmee deze soort zich onderscheidt van de nauw verwante Drosera omissa. Dit kon echter niet met een expliciete bronvermelding worden bevestigd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.