Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera pedicellaris
Drosera pedicellaris
Een van de kleinste en meest plaatsgebonden dwergzonnedauwen van West-Australië. Drosera pedicellaris werd pas in 1997 ontdekt en in 2002 door Allen Lowrie beschreven, en is tot vandaag van niet meer dan drie kleine gebieden in de noordelijke zandvlakten bekend. Zijn naam dankt hij aan het kenmerk dat hem het best verraadt: de ongewoon lange steeltjes onder de bloemen.

Herkenning
Een open, tegen de grond gedrukte rozet van 1 tot 1,8 cm breed met tot twintig actieve bladeren. Jonge bladeren staan half rechtop, oudere liggen vrijwel horizontaal. De bladsteel is 4 tot 5 mm lang, aan de voet 0,8 mm breed en loopt uit tot een draad van 0,1 mm; daaraan zit een rond schijfje van ongeveer 1 mm doorsnede. De plant maakt één tot drie draaddunne bloeiwijzen tot 5,5 cm hoog met samen tot twintig bloemen, elk op een opvallend lang bloemsteeltje. De vijf kroonbladen zijn wit met een groene voet en tot 3,5 mm lang; het stuifmeel is oranje. De zaden zijn ellipsvormig en 0,4 tot 0,5 mm lang.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Drosera parvula, eveneens witbloeiend en eveneens van wit zand, maar met een verder zuidelijk areaal. Het doorslaggevende verschil zit in de bloemsteeltjes: bij D. pedicellaris zijn ze uitzonderlijk lang, waardoor de bloemen losjes uiteen staan. Andere witbloeiende dwergzonnedauwen van de noordelijke zandvlakten vragen een loep en een goede sleutel; let op de vorm van de stipelknop, de beharing en de stempels.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen. Met bladschijfjes van nog geen millimeter behoort dit tot de kleinste vallen in deze gids.
Standplaats en ecologie
Uitsluitend op wit zand in open heide (D1, B5), tussen ongeveer 80 en 300 m hoogte. Het gaat om de voedselarme kwartszanden van de noordelijke zandvlakten, met een lage, open begroeiing van struikjes waar tussen het kale zand ruimte is voor dwergsoorten.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor West-Australië en bekend van slechts drie kleine gebieden in de noordelijke zandvlakten: in de streek ten oosten van Geraldton, rond Pindar, en in Badgingarra National Park. Het gehele bekende areaal is daarmee klein en versnipperd.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. De soort hoort bij de dwergzonnedauwen (sectie Bryastrum in de oudere indeling, tegenwoordig vaak Lamprolepis) en vormt zoals zijn verwanten waarschijnlijk broedknoppen in het hart van de rozet; de oorspronkelijke beschrijving is de voornaamste bron.
Waar en wanneer te zien
Het beste moment is oktober en november, wanneer de draaddunne bloeiwijzen met witte bloemen boven de minuscule rozetjes staan en de plant zich laat vinden. Daarbuiten is hij tussen korstmos en blank zand vrijwel onzichtbaar. Blijf in Badgingarra op de paden: open zandplekken tussen de struiken zijn precies waar deze soort staat, en een kleine populatie kan door betreding in één seizoen verdwijnen.
Staat van instandhouding
Op de IUCN-Rode Lijst als kwetsbaar (VU) beoordeeld; niet in CITES. De redenen zijn het zeer kleine en versnipperde areaal en de bedreigingen die daarbinnen spelen: ontginning voor landbouw en een brandregime dat te vaak of op het verkeerde moment toeslaat. Een deel van de groeiplaatsen ligt in een nationaal park, wat bescherming biedt; de overige liggen in een landschap dat grotendeels in cultuur is gebracht.
Wetenschappelijke naam
Drosera pedicellaris | Lowrie, 2002
Drosera pedicellaris werd in 2002 beschreven door de Australische botanicus Allen Lowrie, in het tijdschrift Nuytsia, deel 15(1), pagina's 59–62, onder de titel "Drosera pedicellaris (Droseraceae), a new species from south-west Western Australia". Het holotype werd op 14 november 1997 door Allen Lowrie zelf verzameld bij Three Springs in West-Australië, in diep beige zand tussen en onder lage struiken op heideachtige vegetatie; het specimen wordt bewaard in het herbarium van Perth (PERTH 5849489). Het epitheton pedicellaris is beschrijvend en verwijst naar de opvallend lange bloemsteeltjes (pedicellen) van deze soort, een kenmerk dat haar onderscheidt van verwante dwergzonnedauwsoorten.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.