Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera quartzicola

Drosera quartzicola

Een zonnedauw van kwartsgrind, zoals de naam zegt, en een van de zeldzaamste van Brazilië. Drosera quartzicola werd in 2011 beschreven door Fernando Rivadavia en Paulo Gonella, al in de titel van hun artikel aangeduid als nieuw en bedreigd. Ze groeit alleen in een klein gebied in de bergen van Minas Gerais, en de hele wereldpopulatie telde bij de laatste telling ongeveer 340 planten.

Drosera quartzicola
Foto: Gustavo Shimizu — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een meerjarige rozet, stengelloos of met korte zuiltjes tot 40 mm hoog. De bladeren staan half opgericht en zijn lancetvormig, waarbij de bladsteel ongeveer even lang en even breed is als de bladschijf. Aan de voet staan driehoekige, goudbruine steunblaadjes van 6 tot 8 mm. De bloemstengel is 17 tot 115 mm lang en draagt roze bloemen; de stamper heeft drie vruchtbladen met gevorkte stijlen. De zaden zijn smal langwerpig-eivormig, 0,7 tot 0,8 mm, met een zwarte, netvormige zaadhuid.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Drosera chrysolepis, die eveneens goudbruine steunblaadjes heeft. D. chrysolepis vormt echter duidelijke stengels, heeft een bladsteel die smaller is dan de bladschijf en langere bloeistengels. Andere zonnedauwen in hetzelfde gebied groeien vrijwel altijd op nattere plekken; de combinatie van een droge kwartsgrindbodem en goudbruine stipulen is kenmerkend voor D. quartzicola.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De half opgerichte bladeren vangen kleine insecten die over het grind lopen of er laag boven vliegen. In de droge, open standplaats zijn mieren en kleine vliegjes waarschijnlijk de belangrijkste prooi.

Standplaats en ecologie

Voor een zonnedauw opvallend droog: relatief droge delen van de campos rupestres, op fijn kwartszand vermengd met wit kwartsgrind, op 1100 tot 1360 m hoogte (D2, R3). Waar de meeste Braziliaanse zonnedauwen sijpelplekken en natte laagten opzoeken, staat deze soort op open, snel drogende grond die alleen in het regenseizoen vochtig blijft.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor een klein deel van de zuidelijke Espinhaço-keten in Minas Gerais, Zuidoost-Brazilië, verdeeld over zes kleine populaties. Precieze vindplaatsen worden in deze gids niet genoemd, omdat de soort als ernstig bedreigd wordt beschouwd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten erkend. De soort is een van de duidelijkste voorbeelden van het extreme lokale endemisme in de campos rupestres: een eigen, droogteverdragende lijn binnen een groep van overwegend moerasplanten, beperkt tot één bergmassief.

Waar en wanneer te zien

Geen soort om actief op te zoeken; de populaties zijn klein en de grindbodem is kwetsbaar voor betreding. Wie in de bergen van Minas Gerais wandelt en in het regenseizoen, november tot april, roze bloeiende zonnedauwen op droog wit grind ziet, laat ze staan en meldt de waarneming aan onderzoekers.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. De auteurs beoordeelden de soort als ernstig bedreigd: ongeveer 340 bekende planten in zes populaties. De belangrijkste bedreigingen zijn door mensen veroorzaakte branden, invasieve grassen die de open grindplekken dichtgroeien, en klimaatverandering die het leefgebied verandert. Dat is een beoordeling door de auteurs, geen officiële IUCN-categorie.

Wetenschappelijke naam

Drosera quartzicola | Rivadavia & Gonella, 2011

Drosera quartzicola werd in 2011 beschreven door Fernando Rivadavia en Paulo Minatel Gonella, in het tijdschrift Phytotaxa, deel 29, pagina 34. De soort werd al in 1996 door Rivadavia en Gonella herontdekt (en eerder, begin jaren 1990, onopgemerkt verzameld), maar pas in 2011 formeel gepubliceerd. Het typeexemplaar werd op 19 april 2010 verzameld door Paulo M. Gonella, in het gebied Travessão bij Santana do Riacho, gemeente Conceição do Mato Dentro, staat Minas Gerais, Brazilië, op circa 1360 m hoogte, in het campo-rupestre-landschap van kwartsgruis. Het epitheton quartzicola is samengesteld uit "kwarts" en het Latijnse achtervoegsel -cola ("bewoner van"), en betekent dus "kwartsbewoner". Het verwijst rechtstreeks naar de kenmerkende groeiplaats van deze soort: silicium-/kwartszand omgeven door wit kwartsgruis in het Braziliaanse campo rupestre.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.