Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera radicans

Drosera radicans

Een kleine, rechtopstaande knolzonnedauw met een van de kleinste arealen onder de verwanten in deze gids: hij is alleen bekend uit een beperkt gebied ten noorden van Geraldton, aan de noordrand van het Zuidwest-Australische winterregengebied. Drosera radicans werd pas in 1982 als soort beschreven.

Drosera radicans
Foto: (c) Thomas Mesaglio, some rights reserved (CC BY) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige knolplant met een rechtopstaande stengel van 7 tot 18 cm hoog, waarlangs kleine, beklierde vangbladeren verspreid staan. De bloemen zijn wit en verschijnen in augustus en september. De soortnaam radicans betekent 'wortelend'. Nadere gegevens — bladvorm, maten van blad en bloem, kenmerken van de knol — zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld en moeten in de oorspronkelijke beschrijving worden nagezocht; die velden blijven daarom leeg.

Gelijkende soorten

In het noordelijke deel van het Zuidwest-Australische winterregengebied groeien meerdere rechtopstaande knolzonnedauwen met kleine schildvormige bladeren. Van de klimmende soorten, zoals Drosera pallida en D. subhirtella, verschilt D. radicans door zijn geringe hoogte en rechte groeiwijze. Voor een zekere determinatie ten opzichte van andere kleine rechtopstaande soorten is een goede determinatiesleutel voor de sectie Ergaleium nodig; de geraadpleegde bronnen noemen geen specifieke verwisselingssoort.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, maar dan hoog boven de grond. De bladeren langs de stengel zijn klein, schildvormig en vaak komvormig, met langere tentakels langs de rand en kortere op de schijf. Vliegende insecten — muggen, kleine vliegen, soms bijen of vlinders die op de bloemen afkomen — raken de druppels en blijven hangen. De randtentakels buigen daarna naar binnen en het schijfje sluit zich deels om de prooi, waarna de klieren enzymen afscheiden en de opgeloste voedingsstoffen opnemen. Doordat de vallen verspreid langs een rechtopstaande of klimmende stengel zitten, bestrijkt de plant een veel groter luchtruim dan een rozet aan de grond.

Standplaats en ecologie

Winternatte plekken op zand of zandige klei (W7, D1): laagten die in de natte maanden verzadigd raken of kort onder water staan en in de zomer volledig uitdrogen. De plant zit dan als knol onder de grond.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor West-Australië en alleen bekend uit een betrekkelijk klein gebied ten noorden van Geraldton; de werklijst van deze gids noemt de streek tussen Kalbarri en Geraldton. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De soort werd in 1982 beschreven door N.G. Marchant, in hetzelfde jaar waarin hij ook andere West-Australische knolzonnedauwen benoemde of opnieuw indeelde, zoals D. subtilis en ondersoorten van D. stolonifera en D. subhirtella. Ze hoort bij ondergeslacht Ergaleium. Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

Augustus en september, het hart van het natte seizoen in de noordelijke zandvlakten, zijn de beste maanden: de stengels zijn dan volgroeid en de witte bloemen open. Zoek in laagten waar in de winter water blijft staan. Omdat het areaal klein is, geldt hier extra: laat de planten staan en blijf van de knollen af.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. Het kleine areaal ligt in een streek waar veel land in cultuur is gebracht, maar de geraadpleegde bronnen noemen geen specifieke bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Drosera radicans | Marchant, 1982

Drosera radicans werd in 1982 beschreven door de Australische botanicus Neville Gordon Marchant, in "Flora of Australia", deel 8, pagina 384. Het typeexemplaar werd op 10 augustus 1974 verzameld door D. & N. McFarland, bij Northampton, ten noorden van Geraldton, West-Australië, in een moerassige standplaats. Het exemplaar wordt bewaard in het herbarium PERTH (nummer PERTH 6140440). Het epitheton radicans is Latijn voor "wortelend" of "wortels vormend" (van radix, "wortel"). Het verwijst vermoedelijk naar de bewortelende stengels van deze rechtopstaande, knolvormende soort. Deze uitleg is gebaseerd op de standaard botanische betekenis van de term en kon niet voor deze specifieke soort in een aparte etymologische bron worden bevestigd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.