Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera ramellosa

Drosera ramellosa

Een van de wijdst verspreide soorten van de waaierbladige sectie Stolonifera: van Kalbarri in het noorden tot Cranbrook en oostwaarts tot Mount Ragged, ver voorbij Esperance. Drosera ramellosa — 'de fijn vertakte' — is een kleine, onopvallende knolplant die in de natte wintermaanden op zandige laagten verschijnt.

Drosera ramellosa
Foto: Rosťa Kracík — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige knolplant met een rozet aan de voet en één tot drie rechtopstaande stengels van 4 tot 12 cm hoog. Langs de hoofdstengels staan de bladeren afwisselend. Kenmerkend is dat de bloeiwijzen niet aan de top van die stengels staan, maar vanuit de basale rozet omhoogkomen. De bladeren hebben de waaiervorm die de hele sectie kenmerkt, met tentakels langs de brede bovenrand. Bloei van juli tot september. Bloemkleur en nauwkeurige maten zijn in de geraadpleegde bronnen niet vermeld.

Gelijkende soorten

De combinatie van rechtopstaande stengels met afwisselende bladeren en bloeiwijzen die uit de rozet ontspringen, onderscheidt D. ramellosa van de andere soorten van sectie Stolonifera. Drosera platypoda is groter, tot 20 cm, en groeit alleen in het uiterste zuidwesten. Drosera stolonifera maakt schuin opstijgende zijstengels, D. prostrata liggende. Let dus vooral op waar de bloeiwijze vandaan komt.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval met een eigen bladvorm. De bladeren zijn waaiervormig: een smalle voet die zich verbreedt tot een schijf waarvan de bovenrand bezet is met lange tentakels, soms in drie- of meertallige kransen langs de stengel. Kleine insecten die tegen die rand aanlopen of erop landen blijven aan de druppels kleven, waarna de tentakels zich over de prooi buigen en de klieren enzymen afscheiden. De opgenomen stikstof en fosfor gaan, zoals bij alle knoldragende zonnedauwen, voor een groot deel naar de knol die de plant door de zomer moet dragen.

Standplaats en ecologie

Winternatte zandige of zand-kleibodems (W7, D1), in open heide en struweel (B5). Het water blijft hier in de natte maanden in of op de bodem staan; in de zomer droogt alles uit en overleeft de plant als knol.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor West-Australië, met een van de grootste arealen binnen zijn sectie: van Kalbarri zuidwaarts tot Cranbrook en oostwaarts tot Mount Ragged, ten noordoosten van Esperance. De werklijst van deze gids vat dat samen als Kalbarri tot Israelite Bay. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 50 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Johann Georg Christian Lehmann beschreef de soort in 1844. Vier jaar later beschreef Jules Émile Planchon dezelfde plant opnieuw als Drosera penduliflora; George Bentham bracht die naam in 1864 terug tot synoniem. Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

Juli tot september is de tijd, midden in het natte seizoen. Zoek op open, zandige plekken die in de winter vochtig of drassig zijn. De plant is klein en groen, en valt pas op als je de druppels op de waaiervormige bladranden ziet glinsteren of de bloeiwijzen uit de rozet ziet komen. Laat de knollen in de grond.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. Met een zeer groot areaal is de soort als geheel niet bedreigd. Lokaal gaan winternatte laagten verloren door ontwatering en ontginning, vooral in de graangordel.

Wetenschappelijke naam

Drosera ramellosa | Lehmann, 1844

Drosera ramellosa werd beschreven door de Duitse botanicus Johann Georg Christian Lehmann, in zijn werk "Pugillus", deel 8, pagina 40, in 1844. De soort is endemisch in West-Australië, met een verspreiding van Kalbarri in het zuiden tot Cranbrook en in het oosten tot Mount Ragged. De precieze verzamelplaats, verzamelaar en verzameldatum van het typeexemplaar konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton ramellosa is een Latijns verkleinwoord afgeleid van ramulus/ramellus ("takje"), en betekent dus vermoedelijk "met kleine vertakkingen" of "fijn vertakt". Dit sluit aan bij de beschrijving van de soort met opstaande, vertakte hoofdstengels. Deze uitleg volgt uit de Latijnse woordvorming maar kon niet in een aparte etymologische bron worden bevestigd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.