Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera ramentacea

Drosera ramentacea

Een Kaapse zonnedauw met een stengel en een schubbenkleed. Drosera ramentacea werd in 1824 door De Candolle gepubliceerd naar een naam van de ontdekkingsreiziger William Burchell. Het epitheton verwijst naar de ramenta: dunne, bruine, schubachtige haren die stengel en bladvoeten bedekken en de plant een ruige aanblik geven.

Drosera ramentacea
Foto: wild_restoration — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Oudere planten vormen een korte tot matig lange, opgaande stengel, bedekt met afgestorven bladresten en schubachtige ramenta, met aan de top een losse rozet van spatelvormige bladeren met rode tentakels. De bloeistengel draagt roze bloemen. Gepubliceerde maten uit een flora waren voor deze tekst niet beschikbaar; de maatvelden blijven leeg.

Gelijkende soorten

Drosera glabripes vormt eveneens een stengel, maar mist de ramenta; de bloemstelen zijn kaal. Drosera madagascariensis uit tropisch Afrika heeft een vergelijkbare groeiwijze, maar komt niet in de Kaap voor. Drosera hilaris en D. aliciae blijven rozetten zonder duidelijke stengel.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval: kleverige druppels houden kleine insecten vast, de tentakels buigen naar de prooi en de klieren verteren de zachte delen. De stengel tilt de vangbladeren op tot boven de mossen en lage kruiden van de sijpelplek.

Standplaats en ecologie

Natte sijpelplekken, beekoevers en drassige hellingen in de bergfynbos, op voedselarme, venige grond boven zandsteen (R1, W4, B5).

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor de zuidwestelijke Kaap in Zuid-Afrika. Dat wijkt duidelijk af van de aanduiding 'tropisch Afrika' in de werklijst van deze gids: de soort komt in tropisch Afrika niet voor, al wordt ze in groeiwijze met de tropische D. madagascariensis vergeleken. Hoogtegrenzen zijn niet gevonden.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. Drosera glabripes is in de negentiende eeuw als variëteit van een verwante stengelvormende soort beschreven voordat ze als aparte soort werd erkend; beide worden nu gescheiden gehouden.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de natte maanden langs sijpelzones op berghellingen. De ruige, bruine stengel met aan de top een rode rozet is kenmerkend.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Plaatselijke bedreigingen zijn uitheemse bomen, verdroging van sijpelplekken en verandering van het brandregime.

Wetenschappelijke naam

Drosera ramentacea | Burchell ex de Candolle, 1824

Drosera ramentacea werd beschreven op basis van materiaal van de Engelse ontdekkingsreiziger en botanicus William John Burchell, formeel gepubliceerd door Augustin Pyramus de Candolle (auteurscitaat "Burch. ex DC.") in "Prodromus Systematis Naturalis Regni Vegetabilis", deel 1, pagina 318, in 1824. De soort komt voor in het zuidwesten van de Kaapregio, met name op en rond het Kaapse Schiereiland, Zuid-Afrika, in fynbosvegetatie. Het auteurscitaat "Burch. ex DC." wijst erop dat het typemateriaal door Burchell werd verzameld tijdens diens reizen door Zuid-Afrika (1811–1815); de precieze verzamelplaats, -datum en het exacte herbarium van het typeexemplaar konden echter niet met zekerheid worden bevestigd. Het epitheton ramentacea is afgeleid van het Latijnse ramentum ("schraapsel, kaf, schilfer") en betekent "kafachtig" of "met schilferige schubben bezet". Het verwijst naar de roodbruine, schilferige haartjes of schubben op de plant. Het is een beschrijvende naam, geen plaatsnaam of persoonsnaam (de vermelding van Burchell in het auteurscitaat betreft de verzamelaar van het typemateriaal, niet de naamgeving zelf).

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.