Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera glabripes

Drosera glabripes

Een zonnedauw die zich niet aan de rozetvorm houdt. Drosera glabripes vormt met de jaren lange, dunne stengels die tussen restio's en struikjes omhoog klimmen of er doorheen leunen, met de vangbladeren verspreid langs de stengel. De soort werd oorspronkelijk door Harvey en Planchon als ondersoort beschreven en in 1886 door Stein tot soort verheven.

Drosera glabripes
Foto: Sean Privett — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Jonge planten vormen een kleine rozet; oudere planten ontwikkelen een opgaande of leunende, dunne stengel waarlangs spatelvormige bladeren met rode tentakels staan. De naam glabripes ('kale voet') verwijst naar de onbehaarde bloemstelen. De bloemen zijn roze. Gepubliceerde maten uit een flora waren voor deze tekst niet beschikbaar; de maatvelden blijven leeg.

Gelijkende soorten

Drosera ramentacea vormt eveneens een stengel, maar draagt schubachtige haren (ramenta) aan stengel en bladvoet. Drosera hilaris blijft een rozet. Drosera xerophila staat vaak op dezelfde plekken, maar is een kleine, vlakke rozet.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. Doordat de bladeren verspreid langs een stengel staan, vangt de plant insecten op verschillende hoogten in de fynbos. Na vangst buigen de tentakels naar de prooi en scheiden de klieren verteringsenzymen af.

Standplaats en ecologie

Vochtige tot periodiek natte plekken in bergfynbos, vaak tussen restio's en lage struiken waarin de stengels steun zoeken, ook op randen van sijpelplekken (W4, B5, R1). De soort is in de Overberg samen met D. xerophila gevonden, ook op drogere zandsteenhellingen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor de zuidwestelijke Kaap in Zuid-Afrika, in de kustbergen van het Kaapse Schiereiland tot in de Overberg. Hoogtegrenzen zijn niet gevonden.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 16 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

De soort heeft een lange geschiedenis als variëteit van een verwante soort voordat Stein haar in 1886 als aparte soort erkende. In de huidige lijsten van Kew is zij een aanvaarde soort. Variëteiten worden niet onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

Kijk in de bergfynbos niet alleen naar de grond: de stengels van deze soort kunnen tot ver in de vegetatie reiken, en de rode vangbladeren hangen dan tussen de restio's. Het beste in de natte maanden.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Bedreigingen zijn de gebruikelijke voor bergfynbos: uitheemse bomen, verandering van het brandregime en verdroging.

Wetenschappelijke naam

Drosera glabripes | (Harvey ex Planchon) Stein, 1886

Oorspronkelijk beschreven als Drosera ramentacea var. glabripes door William Henry Harvey, geldig gepubliceerd door Planchon in 1848, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, serie 3, deel 9 — dezelfde publicatie als D. fulva, eerder in deze golf. Tot soortstatus verheven door Stein in 1886, in Gartenflora, deel 35, p. 657. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort komt voor in Zuid-Afrika (Kaapregio). Van het Latijnse glaber ("kaal, glad") en pes ("voet, steel") — "met gladde bladstelen", vermoedelijk ter onderscheiding van verwante soorten met behaarde bladstelen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.