Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera subhirtella

Drosera subhirtella

Een klimmende knolzonnedauw met gele bloemen, en daarmee een van de betrekkelijk weinige geelbloeiende zonnedauwen. Drosera subhirtella klautert in de late winter en het voorjaar tot zo'n 40 cm hoog door de lage begroeiing van zandvlakten, granietrotsen en moerasranden in het zuidwesten van West-Australië.

Drosera subhirtella
Foto: Stephen Buckle — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een klauterende of klimmende meerjarige knolplant met stengels tot 40 cm lang, waarlangs kleine, beklierde vangbladeren staan. De bloemen zijn geel en verschijnen van augustus tot oktober. De soortnaam betekent 'enigszins behaard'. Nauwkeurige blad- en bloemmaten zijn in de geraadpleegde bronnen niet gepubliceerd.

Gelijkende soorten

Er zijn meer geelbloeiende klimmende zonnedauwen in Zuidwest-Australië. Drosera sulphurea is groter (stengels tot 40–60 cm), heeft schildvormige bladeren en staat in kustgebieden, vaak tussen Cephalotus; Lowrie beschouwt hem als slechts verwant op afstand. Drosera moorei, vroeger een variëteit en later ondersoort van D. subhirtella, is sinds 1999 een aparte soort; die onderscheiden vraagt aandacht voor beharing en bladkenmerken. Wit- of roze-bloeiende klimmers zoals D. pallida en D. macrantha zijn aan de bloemkleur te herkennen.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, maar dan hoog boven de grond. De bladeren langs de stengel zijn klein, schildvormig en vaak komvormig, met langere tentakels langs de rand en kortere op de schijf. Vliegende insecten — muggen, kleine vliegen, soms bijen of vlinders die op de bloemen afkomen — raken de druppels en blijven hangen. De randtentakels buigen daarna naar binnen en het schijfje sluit zich deels om de prooi, waarna de klieren enzymen afscheiden en de opgeloste voedingsstoffen opnemen. Doordat de vallen verspreid langs een rechtopstaande of klimmende stengel zitten, bestrijkt de plant een veel groter luchtruim dan een rozet aan de grond.

Standplaats en ecologie

Een brede reeks standplaatsen: zandvlakten, granietrotsen en moerasranden, op zand, klei of leem (D1, R3, W7). De plant heeft struikgewas nodig om tegenaan te klauteren.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor West-Australië, in het zuidwesten. Een nadere arealgrens is in de geraadpleegde bronnen niet uitgewerkt. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 113 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Jules Émile Planchon beschreef de soort in 1848. Ludwig Diels onderscheidde in 1906 een variëteit moorei, die N.G. Marchant in 1982 tot ondersoort maakte en Allen Lowrie in 1999 als zelfstandige soort, D. moorei, afsplitste. Binnen D. subhirtella in de huidige opvatting worden geen verdere vormen onderscheiden.

Waar en wanneer te zien

Augustus tot oktober, bij zon: de gele bloemen zijn dan van ver te zien boven de lage heide. Zoek bij granietrotsen, op zandvlakten en aan moerasranden, en kijk in de struiken, niet op de grond. Laat de dunne stengels ongemoeid.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES. De geraadpleegde bronnen noemen geen specifieke bedreigingen. De brede standplaatskeus maakt de soort minder kwetsbaar dan veel verwanten.

Wetenschappelijke naam

Drosera subhirtella | Planchon, 1848

Drosera subhirtella werd in 1848 beschreven door de Franse botanicus Jules Émile Planchon, in Annales des Sciences Naturelles, Botanique, 3e serie, deel 9, p. 292. De precieze typelocatie en de verzamelaar van het typemateriaal (vermoedelijk ergens in West-Australië, waar de soort endemisch is) konden niet met zekerheid worden achterhaald. De naam subhirtella is samengesteld uit het Latijnse voorvoegsel sub- ("enigszins, ietwat") en hirtus ("behaard, ruw"), met een verkleinende uitgang -ella, en betekent dus ongeveer "ietwat/licht behaard". De naam is beschrijvend en verwijst naar de fijne beharing van de plant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.