Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera browniana

Drosera browniana

Een knolzonnedauw uit de sectie Erythrorhiza, de groep van platte rozetten die elk jaar uit een ondergrondse knol opkomen. Drosera browniana werd in 1992 door Allen Lowrie en Neville Marchant beschreven in het tijdschrift Nuytsia, en vernoemd naar Andrew Brown, die de eerste populatie vond. Het is een plant van de groensteengordel en de granietrotsen in het droge binnenland van het zuidwesten.

Drosera browniana
Foto: geoffbyrne — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een meerjarige knolplant met een platte rozet van ongeveer 3 tot 4 cm in doorsnede, die met de bloeistengel 4 tot 10 cm hoog wordt. De bladeren liggen plat op de grond en dragen gesteelde klieren. De bloemen zijn rozewit en verschijnen in augustus en september. Nauwkeurige maten van bladschijf en bloemdelen waren in de toegankelijke bronnen niet beschikbaar; de oorspronkelijke beschrijving in Nuytsia 8 bevat ze wel.

Gelijkende soorten

De soort wordt als verwant van Drosera bulbosa beschouwd, die eveneens een platte rozet uit een knol vormt. D. bulbosa bloeit echter eerder, van april tot juni, met zuiver witte bloemen die vlak boven de rozet staan, en heeft een veel ruimer verspreidingsgebied. Drosera erythrorhiza is groter en draagt een veelbloemige bloeiwijze. In het veld zijn bloeitijd en bloemkleur de beste aanwijzingen.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op de grond. De platte rozet werkt als een kleefmat voor kruipende en laagvliegende insecten: mieren, springstaarten, kleine kevers en vliegjes. De gesteelde klieren houden de prooi vast, de tentakels buigen zich eroverheen en scheiden verteringsenzymen af. De opgenomen voedingsstoffen worden in de knol opgeslagen, die de plant door de lange droge zomer helpt.

Standplaats en ecologie

Leem in natte zones bij granietrotsen (FloraBase, Wikipedia): de strook aan de voet van een granietkoepel waar in de winter afstromend regenwater zich verzamelt (R3, W7). Buiten het natte seizoen is de plant onzichtbaar; de zomer overleeft hij als knol diep in de grond.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in West-Australië. Volgens de beschrijving is de soort algemeen in een strook van Mount Holland tot Hatters Hill langs de groensteengordel in het binnenland. FloraBase noemt de bioregio's Avon Wheatbelt, Coolgardie en Mallee, met vondsten in de gemeenten Kondinin, Lake Grace, Merredin, Narembeen en Yilgarn.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Zoals andere rozetvormende knolzonnedauwen kan de plant zich vegetatief vermeerderen door dochterknollen te vormen, zodat op gunstige plekken groepen van rozetten naast elkaar staan.

Waar en wanneer te zien

Bezoek de granietrotsen in het binnenland in augustus en september, na een behoorlijke winterregen; in droge jaren komen veel knollen niet boven. Zoek in de natte leemstrook aan de voet van de rots, niet op de kale steen. Platte rozetten zijn tussen mos en strooisel het best te zien bij laag strijklicht in de ochtend.

Staat van instandhouding

Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst en in West-Australië als 'Not threatened'. Niet in CITES. Het leefgebied ligt deels in een mijnbouwregio; de ontginning van de Wheatbelt heeft veel granietrotsen tot geïsoleerde natuureilanden gemaakt.

Wetenschappelijke naam

Drosera browniana | Lowrie & Marchant, 1992

Beschreven door Allen Lowrie & Neville G. Marchant in 1992, in "Four new Drosera taxa from south western Australia", Nuytsia, deel 8, nr. 3, p. 323-332 (soortbeschrijving op p. 323). Zuidwestelijk Australië, in een gebied van Mount Holland tot Hatters Hill langs de greenstone-gordel ten noordwesten van Esperance, in leemgrond in natte zones nabij graniet-uitlopers. Vernoemd naar Andrew Brown, die de eerste populatie van deze soort ontdekte — niet, zoals vaak wordt aangenomen, naar de beroemde botanicus Robert Brown. Deze verklaring is afkomstig uit secundaire bronnen; de oorspronkelijke publicatie zelf kon niet worden geraadpleegd om dit te bevestigen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.