Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera uniflora
Drosera uniflora
De zuidelijkste zonnedauw van de Nieuwe Wereld. Drosera uniflora groeit aan het uiteinde van het continent, in de winderige, altijd natte kussenvenen van Patagonië, Vuurland en de Falklandeilanden. De plant is klein genoeg om over het hoofd te zien, maar de enkele witte bloem die in de korte zomer boven het mos uitsteekt, verraadt haar. De soortnaam zegt het al: één bloem.



Herkenning
Een kleine, platte rozet van spatelvormige bladeren die dicht tegen het mos of de kussenplanten aanliggen, rood gekleurd waar de plant in de volle zon staat en groener in de beschutting. De bladschijf is kort en rondachtig, met een smalle bladsteel, en draagt aan bovenzijde en rand de gebruikelijke gesteelde klieren met hun druppels. Het opvallendste kenmerk is de bloeiwijze: in plaats van een opgerolde tros met meerdere bloemen staat er één enkele witte bloem op een korte stengel, die vaak nauwelijks boven de rozet uitkomt. Betrouwbaar gepubliceerde maten voor rozet en bloem zijn niet gevonden; de maatvelden blijven daarom leeg.
Gelijkende soorten
In het verspreidingsgebied is er vrijwel niets om haar mee te verwarren: Drosera uniflora is de enige zonnedauw van het uiterste zuiden van Zuid-Amerika. Elders in het zuidelijk halfrond lijkt ze sterk op haar naaste verwanten Drosera arcturi uit Australië en Nieuw-Zeeland en vooral Drosera stenopetala uit Nieuw-Zeeland; ook die hebben een enkele witte bloem en groeien in koude, natte bergvenen. Het verschil is geografisch en in details van blad en bloem, maar in het veld zul je ze nooit naast elkaar vinden.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval zoals bij de andere zonnedauwen: gesteelde klieren houden een kleverige druppel vast, een geland insect blijft plakken, en de tentakels buigen langzaam naar de prooi toe om die te verteren. In het koude klimaat van Vuurland is het groeiseizoen kort en zijn insecten schaars; de vangst bestaat vooral uit kleine muggen en vliegjes die over het veen zweven. De bladeren liggen plat, zodat de prooi vooral op de bovenzijde terechtkomt.
Standplaats en ecologie
Permanent natte, zure en voedselarme venen van het Magelhaense heidegebied: kussenvenen van laaggroeiende kussenplanten zoals Donatia en Astelia, en veenmosvenen met drijvende en doorweekte matten (W1, W2). De plant staat daar tussen het mos of in kleine openingen tussen de kussens, meestal in volle zon, in een klimaat met veel regen, harde wind en koele zomers. In de bergen reikt ze tot boven de boomgrens.
Verspreiding en hoogte
Het zuiden van Chili en Argentinië, van de regenrijke kust en de Andes van Zuid-Chili zuidwaarts door westelijk Patagonië naar Vuurland en de eilanden rond Kaap Hoorn, en daarnaast de Falklandeilanden. Ze is daarmee een van de weinige vleesetende planten van de subantarctische zone. Een betrouwbaar gepubliceerd hoogtebereik voor de hele soort ontbreekt, zodat dat veld leeg blijft.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten onderscheiden. Stambomen op basis van DNA plaatsen D. uniflora samen met D. arcturi en D. stenopetala in een kleine groep koude-venensoorten die van Australische oorsprong is en zich via het zuidelijk halfrond heeft verspreid; ze staat dus verder af van de overige Zuid-Amerikaanse zonnedauwen dan haar ligging doet vermoeden.
Waar en wanneer te zien
Zoek in de zuidelijke zomer, december tot februari, wanneer de witte bloemen open zijn en de plant veel beter te vinden is. De natste kussenvenen langs de wegen van Vuurland en de Falklands zijn het meest belovend. Loop voorzichtig: kussenvenen herstellen uiterst traag van betreding, en een voetafdruk blijft er jaren zichtbaar.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Het areaal is groot en ligt voor een aanzienlijk deel in dunbevolkte gebieden en beschermde natuur, zodat er weinig aanleiding is tot zorg. Lokaal kunnen veenafgraving, drainage en overbegrazing groeiplaatsen aantasten.
Wetenschappelijke naam
Drosera uniflora | Willdenow, 1809
Drosera uniflora werd in 1809 beschreven door de Duitse botanicus Carl Ludwig Willdenow, gepubliceerd in Enumeratio Plantarum Horti Regii Berolinensis. De soort is inheems in Patagonië en op de Falklandeilanden, en komt ook voor in Chili (500-2000 m hoogte) en in Vuurland; een precieze typelocatie met verzamelaar en datum kon niet met zekerheid worden achterhaald. De naam uniflora is Latijn voor "eenbloemig" (van "unus", één, en "flos", bloem) en verwijst naar het kenmerk dat deze kleine zonnedauw doorgaans één enkele witte bloem per stengel draagt.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.