Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera brevifolia

Drosera brevifolia

Een van de kleinste zonnedauwen van Noord-Amerika: een platte, dieprode rozet van een paar centimeter doorsnede, waarboven in het voorjaar opvallend grote witte of roze bloemen uitsteken. Drosera brevifolia heeft een verrassend groot en gebroken areaal — het zuidoosten van de Verenigde Staten, Mexico, Cuba, en dan pas weer het zuidelijk deel van Zuid-Amerika. Het is een plant van plekken die maar een deel van het jaar nat zijn, en hij leeft vaak kort: veel planten bloeien na één of twee jaar en sterven dan af.

Drosera brevifolia
Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera brevifolia — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera brevifolia — de standplaats
De standplaats · Foto: Alex Abair — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet die plat op de grond ligt, meestal rond de 3 cm breed en zelden tot 5 cm. De blaadjes zijn wigvormig, omgekeerd eirond tot spatelvormig en 7 tot 16 mm lang, waarbij de bladschijf geleidelijk overgaat in een korte, brede steel; de kleur is bij zon diep rood tot roodpurper. Steunblaadjes ontbreken. De bloemstengel is tot ongeveer 15 cm hoog en — belangrijk kenmerk — bezet met kleine klierharen. Hij draagt een of enkele bloemen die groot zijn in verhouding tot de plant, met witte tot roze kroonbladen. De bloei valt in het voorjaar.

Gelijkende soorten

De grootste verwarring is met Drosera capillaris, die vaak op dezelfde plekken staat. Die is groter, heeft een duidelijke dunne bladsteel met een ronde tot spatelvormige schijf, draagt franjevormige steunblaadjes in het hart van de rozet en heeft een kale bloemstengel; hij bloeit bovendien later, in de zomer. Kleine exemplaren van D. intermedia hebben eveneens een lange, kale bladsteel en een rechtopstaande in plaats van platte rozet. Een platte, rode rozet met wigvormige blaadjes en een klierachtig behaarde bloemstengel wijst dus op D. brevifolia.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De klieren op de bovenkant en de rand van het blaadje dragen elk een kleverige druppel; een klein insect dat erin terechtkomt, blijft hangen, waarna de tentakels zich naar de prooi toe buigen en het blaadje zich er licht omheen kromt. De klieren scheiden daarna enzymen af en nemen de vrijgekomen voedingsstoffen op. Door het kleine formaat bestaat de vangst vooral uit springstaarten, mieren, kleine muggen en andere minieme, meest over de grond lopende of laag vliegende dieren.

Standplaats en ecologie

Vochtige tot natte, zure, zandige of kleiige grond die in de zomer kan uitdrogen: open plekken in dennensavannes en vlakke dennenbossen (B6), de randen van moerassen, vijvers en tijdelijke poelen (W7), en verstoorde, kale grond zoals wegbermen, paden en afgegraven terrein (H2). De soort staat vaak op drogere plekken dan de meeste andere vleesetende planten in hetzelfde gebied, en profiteert sterk van open, kale bodem na brand of verstoring. Zijn kortlevende levenswijze met veel zaad past daarbij.

Verspreiding en hoogte

In de Verenigde Staten van Virginia en Kentucky zuidwaarts tot Florida en westwaarts tot Texas, Oklahoma en Kansas, met onder meer Tennessee, Arkansas, Missouri, Mississippi, Alabama, Georgia en de Carolina's. Verder in het oosten van Mexico, Belize en op Cuba, en na een grote onderbreking in het zuiden van Brazilië, Paraguay, Uruguay en het noordoosten van Argentinië. Hoe die sprong naar Zuid-Amerika tot stand is gekomen, is niet duidelijk. Een betrouwbaar gepubliceerd hoogtebereik ontbreekt; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 388 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. Wel zijn er in de loop van de tijd verschillende namen aan deze plant gegeven, vooral uit Zuid-Amerika, die nu als synoniemen gelden — waaronder Drosera ferruginea uit Uruguay, die in deze gids een eigen, verwijzende bladzijde heeft. Kleurvormen komen voor: planten in de volle zon zijn dieprood, in halfschaduw groener, en de bloemkleur varieert van zuiver wit tot duidelijk roze.

Waar en wanneer te zien

Ga in het voorjaar — in het zuiden van de VS al vroeg — en zoek op kale, vochtige plekken in open dennenbos, op zandige paden en in wegbermen. De rozetten zijn zo klein dat ze makkelijk over het hoofd worden gezien; de bloemen verraden ze. Kom op een zonnige ochtend, want de bloemen openen alleen bij zon. Omdat de plant vaak na de bloei afsterft, kan een groeiplaats van jaar tot jaar sterk verschillen in aantal.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Over het geheel genomen is hij niet zeldzaam, maar aan de noordrand van het areaal wel: in Kentucky geldt hij als bedreigd en in Tennessee als kwetsbaar. De belangrijkste bedreigingen zijn het verdwijnen van open dennensavannes door bosbouw en bebouwing, het uitblijven van brand, en het dichtgroeien van kale plekken waar de kiemplanten op aangewezen zijn.

Wetenschappelijke naam

Drosera brevifolia | Pursh, 1814

Beschreven door Frederick Pursh, beschreven december 1813, titelpagina 1814, in "Flora Americae Septentrionalis", deel 1, p. 211. "Sandy swamps, Georgia" — zandige moerassen in Georgia, zuidoostelijke Verenigde Staten. Lectotype in herbarium PH (Philadelphia). De soort komt voor van oostelijk Texas tot Florida, noordwaarts tot Virginia. In 1834 werd bovendien een variëteit, D. brevifolia var. major Hook., uit Louisiana beschreven. Van het Latijnse brevis ("kort") en folium ("blad") — "kortbladig", passend bij de Engelse volksnamen "dwarf sundew"/"small sundew".

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.