Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera hamiltonii

Drosera hamiltonii

Een zonnedauw die zo afwijkt van de rest dat hij een eigen ondergeslacht heeft gekregen. Drosera hamiltonii, in het Engels de 'rosy sundew', is de enige soort van het ondergeslacht Stelogyne, en dat vanwege een detail in de bloem: de stijlen zijn met elkaar vergroeid, iets wat in het hele geslacht verder niet voorkomt. Cecil Andrews beschreef hem in 1903. Het is een plant van de venige moerassen van het koele, natte uiterste zuidwesten.

Drosera hamiltonii
Foto: Philipp Weigell — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera hamiltonii — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Michal Rubeš — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons
Drosera hamiltonii — de bloem
De bloem · Foto: Michal Rubeš — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige rozetplant met vezelige wortels, zonder knol. De bladeren zijn ongeveer 2 cm lang, dicht bezet met gesteelde klieren en staan in een rozet op de grond. Daaruit rijst een lange bloemstengel van ongeveer 30 cm, volgens FloraBase tot 40 cm, met roze tot purperrode bloemen. De bloei valt laat in het voorjaar en vroeg in de zomer, in november en december. Het doorslaggevende kenmerk, de vergroeide stijlen in het hart van de bloem, is met een loep te zien.

Gelijkende soorten

In dezelfde moerassen van het zuidwesten kunnen andere rozetvormende zonnedauwen groeien, zoals knolzonnedauwen uit de sectie Erythrorhiza en diverse dwergzonnedauwen, maar die zijn veel kleiner van bouw of bloeien wit en veel eerder in het jaar. De combinatie van een rozet van bladeren van een paar centimeter, een bloemstengel van 30 cm of meer en roze bloemen in november en december is kenmerkend; de vergroeide stijlen maken de determinatie zeker.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De rozetbladeren zijn dicht bezet met gesteelde klieren die kleverige druppels afscheiden. In het vochtige moerasmilieu vangen ze vooral muggen, dansmuggen en andere kleine vliegende insecten. De tentakels buigen zich na contact naar de prooi en de klieren scheiden verteringsenzymen af. De lange bloemstengel wordt bij zonnedauwen vaak uitgelegd als een manier om bestuivers op afstand van de vallen te houden.

Standplaats en ecologie

Venige grond in moerassen (FloraBase) (W4, W7), in de kustnabije moerassen van het zuidwesten. Anders dan de knolzonnedauwen, die de zomer ondergronds doorbrengen, groeit deze soort in plekken die lang nat blijven, wat de late bloei in de vroege zomer mogelijk maakt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het zuidwesten van West-Australië, in de kustmoerassen van het koele, natte uiterste zuidwesten. FloraBase noemt de bioregio's Jarrah Forest en Warren, met vondsten in de gemeenten Albany, Augusta-Margaret River, Denmark, Manjimup en Nannup.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. De taxonomische plaats is des te interessanter. Ludwig Diels plaatste de soort in 1906 in een eigen sectie Stelogyne; Seine en Barthlott stelden in 1994 voor hem in de sectie Drosera onder te brengen; Jan Schlauer verhief Stelogyne in 1996 tot ondergeslacht, met als argument dat de unieke vergroeide stijlen een afscheiding op meer dan sectieniveau rechtvaardigen.

Waar en wanneer te zien

Kom laat in het seizoen, in november of december, als de meeste andere zonnedauwen van het zuidwesten al uitgebloeid of ondergronds zijn. Zoek in de natte, venige moerassen tussen Augusta en Albany. De roze bloemen op lange stengels steken boven de moerasbegroeiing uit en zijn van enige afstand te zien. Draag laarzen en blijf op paden; veel moerassen liggen in nationale parken.

Staat van instandhouding

Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst en in West-Australië als 'Not threatened'. Niet in CITES. Het verspreidingsgebied ligt grotendeels in de natste en best beschermde hoek van het zuidwesten. Moerassen blijven echter gevoelig voor drooglegging, dalend grondwater door een drogend klimaat, en veranderingen in het brandregime.

Wetenschappelijke naam

Drosera hamiltonii | Andrews, 1903

Beschreven door Cecil Rollo Payton Andrews in 1903, in Journal of the Mueller Botanic Society of Western Australia, deel 1, nr. 11, p. 81. De precieze typelocatie kon niet worden achterhaald. De soort is endemisch voor kustmoerassen in zuidwestelijk West-Australië. Vernoemd naar een persoon met de achternaam Hamilton, maar de identiteit van deze persoon kon niet worden achterhaald.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.