Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera slackii

Drosera slackii

Een forse, vlakke rozetzonnedauw uit de kustbergen van de zuidwestelijke Kaap, pas in 1987 als soort beschreven. Drosera slackii is genoemd naar de Britse kweker en schrijver Adrian Slack (1933–2018), die met zijn boeken een hele generatie liefhebbers van vleesetende planten vormde. In het wild is het een plant van permanent natte sijpelplekken langs kleine bergbeekjes.

Drosera slackii
Foto: Rosťa Kracík in kweek — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons
Drosera slackii — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Michal Rubeš in kweek — CC BY 3.0 cz · Wikimedia Commons

Herkenning

Een brede, half opgerichte tot vlakke rozet van 5 tot 10 cm doorsnede, groen aan de voet en in de zon koper- tot dieprood. De bladeren worden tot ongeveer 4 cm lang en hebben een kenmerkende gitaarvorm: de bladsteel is plat en in het midden verbreed, en gaat over in een brede, afgeronde vangschijf. De jonge, zich ontrollende bladeren dragen aan de onderzijde verspreid korte, vlezige uitsteeksels; dat is het beste kenmerk. In het midden van de rozet zijn de tentakels helder rood. De bloeistengel draagt dieproze bloemen in het voorjaar.

Gelijkende soorten

Drosera rubrifolia heeft een vergelijkbare bladvorm maar mist de vlezige uitsteeksels aan de onderzijde van de jonge bladeren, en is kleiner en dieper rood. Drosera aliciae is kleiner, met smallere, spatelvormige bladeren zonder duidelijk verbrede bladsteel. Drosera cuneifolia heeft wigvormige, aan de top afgeknotte bladeren en is beperkt tot het Tafelberg-massief. In oudere literatuur werd D. slackii soms onder D. aliciae gerekend, zodat oudere waarnemingen met voorzichtigheid gelezen moeten worden.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De brede schijf is dicht bezet met gesteelde klieren die elk een kleverige druppel dragen; kleine insecten die erop landen, raken vast, waarna de omringende tentakels naar de prooi toe buigen. De klieren scheiden daarna verteringsenzymen af en nemen de voedingsstoffen op. De grote, vlakke rozet werkt als een brede vangplaat op de natte grond waar muggen en kleine vliegen talrijk zijn.

Standplaats en ecologie

Permanente sijpelplekken langs kleine beekjes in de bergen, op voedselarm, venig zand boven zandsteen, in open fynbos (R1, W4, B5). De plant heeft het hele jaar door water nodig, al groeit hij vooral in de koele, natte winter. Beschaduwing door hoge struiken of uitheemse bomen verdraagt hij slecht.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor de zuidwestelijke Kaap in Zuid-Afrika, in de kustbergen: de Kogelberg, de Hottentots-Hollandbergen en het Kleinriviergebergte. Betrouwbare hoogtegrenzen uit wetenschappelijke bronnen ontbreken; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten onderscheiden. De soort is in 1987 door Martin Cheek in het Kew Bulletin beschreven, uit materiaal dat tot dan toe bij D. aliciae werd gerekend. De Kaapse rozetzonnedauwen zijn sindsdien grondig herzien, onder meer door Debbert en later Fleischmann en collega's, en D. slackii geldt in die herzieningen als goed te onderscheiden soort. Plaatselijk kunnen er natuurlijke kruisingen met andere soorten voorkomen; die worden hier niet apart behandeld.

Waar en wanneer te zien

Volg in de natte maanden de wandelpaden door de Kogelberg of het Kleinriviergebergte en let op plekken waar een beekje over de rots of het pad sijpelt. De rozetten zijn groot genoeg om vanaf het pad te zien. Blijf op het pad: de sijpelzones zijn smal, en de groeiplaatsen liggen grotendeels in beschermde natuurgebieden.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. Het areaal is klein, maar ligt grotendeels in beschermde berggebieden zoals het Kogelberg-biosfeerreservaat. Mogelijke bedreigingen zijn verdroging van sijpelplekken, verbossing door uitheemse bomen en verzamelen voor de handel; de soort is in cultuur echter algemeen en wordt massaal uit zaad gekweekt, wat de druk op wilde planten vermindert.

Wetenschappelijke naam

Drosera slackii | Cheek, 1987

Drosera slackii werd in 1987 beschreven door Matthew Cheek, gepubliceerd in Kew Bulletin, deel 42(3): 738. De soort komt voor in de Overberg-regio van de Westkaap, Zuid-Afrika, met bekende groeiplaatsen rond Hermanus (o.a. Fernkloof- en Vogelgat-natuurreservaten, Rotary Way). De exacte typelocatie en de verzamelaar/datum van het holotype konden niet met zekerheid worden achterhaald. Dit is een eponiem: de soort is vernoemd naar de Britse plantenkenner en auteur Adrian Slack (1933–2018), een bekende autoriteit op het gebied van vleesetende planten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.