Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera madagascariensis

Drosera madagascariensis

De meest verbreide zonnedauw van tropisch Afrika. Drosera madagascariensis werd in 1824 door De Candolle beschreven naar materiaal uit Madagaskar, maar komt voor over een groot deel van het Afrikaanse continent ten zuiden van de Sahara. Het is geen vlakke rozet zoals de Kaapse soorten, maar een plant die met de jaren een rechtopstaande of liggende stengel vormt, met de bladeren op afstand van elkaar.

Drosera madagascariensis
Foto: onbekend in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera madagascariensis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: No machine-readable author provided. NoahElhardt assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera madagascariensis — de bloem
De bloem · Foto: Krzysztof Golik in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

De plant begint als een kleine rozet, maar ontwikkelt een opgaande, vaak onvertakte stengel waarlangs de bladeren verspreid staan; oudere, afgestorven bladeren blijven naar beneden gebogen aan de stengel hangen. Elk blad bestaat uit een lange, smalle bladsteel en een kleine, omgekeerd eironde tot spatelvormige vangschijf met rode tentakels. De bloeistengel ontspringt zijdelings en draagt roze tot paarse bloemen. Betrouwbare maten uit een flora waren voor deze tekst niet beschikbaar; de maatvelden blijven daarom leeg.

Gelijkende soorten

In tropisch Afrika komen enkele verwante soorten met een vergelijkbare stengelvorm voor, zoals D. affinis en D. elongata; die worden op details van blad en bloem onderscheiden en in de literatuur soms met D. madagascariensis verward. Drosera ramentacea uit de Kaap heeft eveneens een stengel, maar draagt schubachtige haren (ramenta). De rozetsoorten D. burkeana, D. dielsiana en D. natalensis vormen geen stengel.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De vangschijven zitten verspreid langs de stengel, zodat de plant insecten op verschillende hoogten in de vegetatie vangt. Tentakels buigen na contact naar de prooi, en de klieren scheiden verteringsenzymen af. De stengelgroei is een aanpassing aan standplaatsen met gras en zeggen: de plant groeit mee omhoog en houdt zo zijn vangbladeren in het licht.

Standplaats en ecologie

Natte, voedselarme en open plekken: moerassige graslanden, oevers van beken, sijpelplekken en seizoensgebonden natte laagten in savanne en open bosland (W4, W7, B6). De plant staat vaak tussen grassen en zeggen die even hoog of hoger worden.

Verspreiding en hoogte

Tropisch en zuidelijk Afrika, van West-Afrika tot Oost-Afrika en zuidwaarts tot in Zuid-Afrika, en Madagaskar. Nauwkeurige hoogtegrenzen zijn in de geraadpleegde bronnen niet gevonden.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 81 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Over zo'n groot gebied is de soort variabel in grootte, beharing en bloemkleur. Enkele van die vormen zijn in het verleden als aparte soorten of variëteiten beschreven; de verhouding tot D. affinis en D. elongata is taxonomisch niet in alle opzichten helder.

Waar en wanneer te zien

In zuidelijk Afrika bloeit de soort in de natte zomer. Zoek in moerassige graslanden en langs beekoevers; de plant valt minder op dan de rozetsoorten doordat hij tussen het gras omhoog groeit. Let op de rode vangschijfjes op lange stelen.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als Least Concern (niet bedreigd) beoordeeld; niet in CITES. Het grote areaal en de brede standplaatskeuze maken de soort weinig kwetsbaar. Plaatselijk verdwijnen groeiplaatsen door drooglegging van moerassen voor landbouw en door verstedelijking.

Wetenschappelijke naam

Drosera madagascariensis | de Candolle, 1824

Beschreven door Augustin Pyramus de Candolle in januari 1824, in "Prodromus Systematis Naturalis Regni Vegetabilis", deel 1, p. 318. Niet expliciet vermeld, maar gezien de naam en het verspreidingsgebied ligt Madagaskar voor de hand; de soort komt overigens breder voor in Afrika en Madagaskar, niet uitsluitend op het eiland. Vernoemd naar Madagaskar, een van de landen waar de soort voorkomt.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.