Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora folliculata

Heliamphora folliculata

Los Testigos, 'de getuigen', is een korte keten van vier tafelbergen in het zuiden van de Venezolaanse deelstaat Bolívar: Aparamán, Murisipán, Tereke-yurén en Kamarkawarai. Op alle vier groeit Heliamphora folliculata, en nergens anders. De soort is pas in 2001 beschreven en dankt haar naam aan één detail dat ze met geen enkele verwante deelt: het nectarorgaan boven op de beker is van binnen hol.

Heliamphora folliculata
Foto: Andreas Eils — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet van rechtopstaande bekerbladen. Elke beker is één blad dat tot een trechter is dichtgegroeid, met een naad over de voorzijde; de wand is naar boven toe verbreed en de kleur loopt van groen bij planten in de luwte tot roodbruin bij planten in vol licht. Het determinatiekenmerk zit bovenop de achterrand. Waar andere Heliamphora-soorten daar een open lepeltje of een kapje dragen, heeft deze soort een gesloten structuur die in drieën is op te delen: een voet, een smalle nectargoot en daarachter een echte nectarkamer. Het is dat holle zakje waar de soortnaam naar verwijst, van het Latijnse folliculus, buideltje. Płachno, Świątek en Wistuba beschreven in 2007 wat erin zit: reuzennectariën van ongeveer 430 bij 450 micrometer, voor het overgrote deel verzonken in het omringende weefsel, waarvan alleen de topcellen contact maken met de binnenruimte van de kamer. Voor het blote oog is er niet meer te zien dan een opvallend, dik, vaak dieprood orgaantje boven de bekermond — maar dat is dan ook precies genoeg om de soort in het veld te herkennen.

Gelijkende soorten

Op de Los Testigos-keten zelf is er niets om mee te verwarren: dit is de enige soort van de familie op die vier bergen. Daarbuiten is het nectarorgaan de sleutel. Heliamphora minor, van Auyán-tepui, draagt een klein kapvormig lepeltje op een dun steeltje, zonder inwendige kamer. Heliamphora nutans van de Roraima-groep is forser en heeft een gewoon, naar voren gericht lepeltje. Heliamphora exappendiculata, van de Chimantá- en Aprada-massieven, is juist het tegenovergestelde uiterste: daar is het orgaan zo ver teruggetrokken dat het niet meer als aanhangsel boven de beker uitsteekt. Kijk dus niet naar de grootte of de kleur van de beker, die binnen elke soort sterk varieert, maar naar het silhouet van de achterrand van opzij gezien. Verwarring met Sarracenia is geografisch uitgesloten; bouwkundig ook, want Heliamphora heeft geen brede kap boven de mond.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval van het valkuiltype. De plant maakt zelf weinig tot geen verteringsenzymen; het afbreken van de prooi wordt grotendeels overgelaten aan bacteriën en andere micro-organismen in de bekervloeistof, waarna de plant de vrijkomende stikstof- en fosforverbindingen opneemt. Het lokwerk gebeurt bij het nectarorgaan. De onderzoekers die de nectarkamer beschreven, vermoeden dat die kamer twee dingen tegelijk doet: ze houdt de energetisch kostbare nectar uit de regen en ze dwingt bezoekende insecten om zich in een nauwe ruimte vlak boven de bekermond te wringen. De nectariën zelf lijken in hun bouw op geurklieren, wat erop wijst dat er behalve suiker ook vluchtige stoffen worden afgegeven. Een afwateringsspleet in de bekerwand houdt het vloeistofpeil op hoogte, zodat een stortbui de vangst niet over de rand spoelt.

Standplaats en ecologie

Het topplateau van de tafelberg (R4): kaal zandsteen met spleten, kommen en laagten waarin zich zure turf en veenmos verzamelen, zonder dat er van een bodem in de gewone zin sprake is. Daarnaast groeit de soort op de natte rotsrichels en overhangen langs de flanken van de bergen (R1), waar sijpelwater permanent over het gesteente trekt. In beide gevallen is het substraat extreem arm aan stikstof en fosfor en spoelt regen weg wat er is. Het klimaat is koel en vrijwel altijd vochtig: de plateaus liggen een groot deel van de dag in de wolken. Onder die omstandigheden is een val die insecten in bruikbare stikstof omzet geen luxe maar een voorwaarde om er te staan.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op de keten van Los Testigos in de deelstaat Bolívar, Venezuela, en daar bekend van alle vier de bergen: Aparamán, Murisipán, Tereke-yurén en Kamarkawarai. De groeiplaatsen liggen ruwweg tussen 1700 en 2400 m hoogte, zowel op de toppen als op rotspartijen langs de wanden. Het geslacht als geheel blijft beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild — Venezuela, westelijk Guyana en het uiterste noorden van Brazilië — en Heliamphora folliculata laat goed zien hoe dat werkt: een keten van vier bergen die dicht bij elkaar liggen deelt één soort, terwijl het volgende massief er weer een eigen heeft.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of ondersoorten beschreven. Wel is er de kleurvariatie die het hele geslacht kenmerkt en die geen taxonomische naam draagt: planten op open, zonnige delen van het plateau kleuren dieprood, planten in de schaduw van rotsblokken of in de spleten blijven groen, en ook de kleur van het nectarorgaan varieert van geelgroen tot vrijwel zwartrood. Natuurlijke hybriden zijn van deze soort niet bekend, wat logisch is: op de Los Testigos staat geen tweede vertegenwoordiger van het geslacht met wie kruising mogelijk zou zijn.

Waar en wanneer te zien

De keten ligt afgelegen in het zuiden van Bolívar en is alleen te bereiken per helikopter of via een lange tocht met een lokale gids; in de praktijk gaat een bezoek altijd met toestemming en begeleiding. Wie boven staat, moet de bekers niet van bovenaf bekijken maar van opzij en iets van onderen: dan pas tekent het dikke, gesloten nectarorgaan zich af tegen de lucht, en dat is het enige kenmerk dat je in het veld met zekerheid verder helpt. De bloeitijd van de soort is niet in de literatuur vastgelegd; bloeiende planten worden in het hele jaar waargenomen.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst en er is geen CITES-vermelding: Heliamphora staat in geen enkele bijlage. Wat er wél over te zeggen valt: de verspreiding beslaat vier naburige bergen en verder niets, en dat maakt een soort per definitie kwetsbaar voor alles wat dat kleine gebied treft. Daar staat tegenover dat de keten moeilijk bereikbaar is, dat de populaties op de natte delen omvangrijk zijn en dat het gebied geen landbouw- of mijnbouwdruk van betekenis kent. Verzamelen voor de handel is het risico dat voor het geslacht gewoonlijk wordt genoemd, maar planten in kweek komen inmiddels vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Het ontbreken van een formele beoordeling betekent hier dus geen vastgestelde achteruitgang, maar een leemte in de kennis.

Wetenschappelijke naam

Heliamphora folliculata | Wistuba, Harbarth & Carow, 2001

Beschreven door Andreas Wistuba, Ulrike Harbarth en Bernd Carow in 2001, in Carnivorous Plant Newsletter 30(4): 120–125. Het typegebied ligt op de Aparaman-tepuigroep in Venezuela; de soort is gevonden op alle vier de bergen van deze groep: Aparaman-, Murosipan-, Tereke- en Kamakeiwaran-tepui. De soortnaam folliculata is Latijn voor "van follikels/zakjes voorzien" en verwijst naar de vorm van de zaadcapsules.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.