Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora sarracenioides

Heliamphora sarracenioides

Bekerplanten van de tafelbergen hebben geen deksel; in plaats daarvan staat bovenop de achterrand een miniem nectarlepeltje. Heliamphora sarracenioides is de uitzondering die de regel zichtbaar maakt: bij deze soort is dat orgaan uitgegroeid tot een breed, driehoekig scherm dat de bekermond kan overtreffen en dat sterk aan een noordelijke Sarracenia doet denken. Vandaar de naam. De soort is pas in 2005 beschreven en komt voor zover bekend alleen op de vlakke top van Ptari-tepui voor.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een rozet van rechtopstaande bekers van 20 tot 30 cm lang en halverwege 3 tot 5 cm breed. De beker is in de onderste helft trechtervormig, in het midden buikig en in het bovenste derde deel kegelvormig. Het kenmerkende orgaan staat bovenop: een driehoekig, rechtopstaand deksel van 4 tot 5 cm lang en 3 tot 4 cm breed, met een licht teruggebogen punt, dat direct uit de achterkant van de bekermond ontspringt zonder versmalling en dat vaak breder is dan de mond zelf. De binnenzijde ervan draagt vrij gelijkmatig verspreide klieren tot 0,2 mm. Het bovenste kwart van de beker is aan de binnenkant volstrekt kaal, met verspreide klieren; daaronder begint de behaarde zone abrupt. De meeste planten zijn vrijwel geheel rood, sommige groenig met diep rode nerven. De bloeistengel wordt tot 60 cm lang en draagt twee of drie bloemen met lancetvormige tepalen van 4 tot 4,5 cm lang en 1,7 tot 2,2 cm breed, wit tot wittig roze.

Gelijkende soorten

Het deksel is beslissend. Bij verwanten als Heliamphora heterodoxa en Heliamphora folliculata is dat orgaan kleiner en smaller, en de klieren op de binnenzijde zijn er anders van grootte en verdeling; bij deze soort zijn ze groot en gelijkmatig verspreid. Een tweede kenmerk is de kale zone onder de rand: H. heterodoxa heeft daar juist een behaarde binnenzijde en een sterker trechtervormige bekermond. Verwarring met het Noord-Amerikaanse geslacht Sarracenia, waaraan de soort haar naam dankt, is geografisch uitgesloten — die staat op een ander continent — maar de gelijkenis verklaart wel waarom foto's van deze plant zo vaak verkeerd worden bijgeschreven.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil waarvan de bovenbouw opvalt. De plant maakt zelf nauwelijks verteringsenzymen; bacteriën in de bekervloeistof breken de prooi af en de plant neemt de vrijgekomen voedingsstoffen op. Het brede deksel is hier het lokorgaan: het draagt talrijke klieren aan de binnenzijde en hangt boven de opening, zodat een insect dat op de afscheiding afkomt zich precies boven de val bevindt. Daaronder volgt eerst een volkomen gladde, kale zone waar geen houvast is, en pas daaronder het veld met naar beneden gerichte haren. Die combinatie — glad vlak onder de rand, haren dieper in de beker — is bij deze soort scherper afgetekend dan bij haar verwanten.

Standplaats en ecologie

De vlakke top van de tafelberg (R4), op ruim 2400 m: een landschap van kaal zandsteen met laagten waarin zich zure turf en veenmos ophopen (W1) en waar het water tussen de rotsen blijft staan. Het substraat is extreem arm aan stikstof en fosfor en wordt door de vrijwel dagelijkse regen voortdurend uitgespoeld. Het klimaat op die hoogte is koel en bijna permanent vochtig, met wolken die de top een groot deel van de dag afdekken en met sterke wisselingen tussen felle zon in een opklaring en schemer daarbuiten. De bekende groeiplaats is klein en geïsoleerd, ook naar de maatstaven van dit geslacht.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Ptari-tepui in de deelstaat Bolívar, Venezuela, en daarbuiten niet aangetroffen; de opgegeven hoogten liggen tussen ongeveer 2400 en 2450 m. De precieze ligging van de vindplaats is door de beschrijvers bewust niet gepubliceerd, en ook welke soorten er samen met deze groeien is niet vrijgegeven — een maatregel tegen verzamelaars die bij een populatie van deze omvang geen overbodige voorzorg is. Het geslacht als geheel is beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild, in Venezuela, westelijk Guyana en het noorden van Brazilië.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Binnen de soort zijn geen variëteiten of ondersoorten beschreven. Wel is er kleurvariatie zonder taxonomische naam: het merendeel van de planten heeft vrijwel geheel rode bekers, maar een deel blijft groenig met diep rode nervatuur. Natuurlijke hybriden zijn niet formeel beschreven, al groeien er op Ptari-tepui meer soorten van het geslacht en is hybridisatie binnen Heliamphora op andere bergen goed gedocumenteerd — juist het typemateriaal van Heliamphora heterodoxa, van dezelfde berg, wordt tegenwoordig als hybride opgevat. Cultivars blijven hier buiten beschouwing.

Waar en wanneer te zien

De top is alleen per helikopter of via een zware, meerdaagse tocht te bereiken, ligt binnen het Nationaal Park Canaima en wordt in de praktijk uitsluitend met vergunning en gids bezocht. Wie boven komt, herkent de soort aan het silhouet: een rozet waarvan elk blad wordt afgesloten door een breed, rechtopstaand scherm — een vorm die geen andere soort van het geslacht vertoont. Het rood van de bekers komt pas uit in direct licht, dus wacht een opklaring af. Betreed de natte turfplekken zo min mogelijk: de groeiplaats is klein en de vegetatie herstelt zich er traag. De bloeitijd is niet in de literatuur vastgelegd.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst en staat op geen enkele CITES-bijlage. Wat er wel over bekend is, maakt haar tot de kwetsbaarste van deze vijf: bij de beschrijving werden op de typeplek ongeveer tweehonderd volwassen planten geteld, de populatie geldt als gezond maar is beperkt tot een klein en geïsoleerd gebied op één bergtop, en de beschrijvers noemden haar daarom uitdrukkelijk kwetsbaar. Daar staat tegenover dat de berg binnen een nationaal park en werelderfgoedgebied ligt, alleen met vergunning te betreden is en dat de vindplaats niet is gepubliceerd. Een formele beoordeling ontbreekt dus, maar dat komt hier niet doordat er niets bekend is — eerder doordat de gegevens uit één telling bij één bezoek stammen en er geen reeks waarnemingen is om een trend op te baseren.

Wetenschappelijke naam

Heliamphora sarracenioides | Carow, Wistuba & Harbarth, 2005

Beschreven door Bernd Carow, Andreas Wistuba en Ulrike Harbarth in 2005, in Carnivorous Plant Newsletter 34(1): 4–6. Het typegebied ligt op Ptari-tepui in de deelstaat Bolívar, Venezuela. De soortnaam sarracenioides is samengesteld uit "Sarracenia" (het Noord-Amerikaanse trompetbekerplantengeslacht) en het Griekse achtervoegsel -oides ("lijkend op") en verwijst naar de bekervorm die aan Sarracenia doet denken.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.