Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora nutans
Heliamphora nutans
Sun pitcher
De eerste tafelbergbekerplant die de wetenschap onder ogen kreeg: de gebroeders Schomburgk vonden hem in 1839 op de Roraima, en Bentham beschreef hem het jaar daarop. Hij groeit op de zandsteenplateaus waar Venezuela, Brazilië en Guyana elkaar raken, tussen de tweeduizend en zevenentwintighonderd meter, in een landschap dat vrijwel elke dag in de wolken hangt. De knikkende witte bloem waaraan hij zijn naam dankt, staat ver boven de rozet uit.




Herkenning
Een rozet van trechtervormige bekers die vanaf een ondergrondse wortelstok opstijgen; ze zijn onderaan smal, verbreden zich naar boven en zijn geelgroen tot roodbruin. Aan de achterkant van de rand zit een klein, lepelvormig aanhangsel — het nectarlepeltje — dat het geslacht van alle andere bekerplanten scheidt. In de wand van de beker zit een spleet of een gaatje op vaste hoogte: dat is de uitgietopening, en het niveau van de vloeistof binnenin komt er nooit bovenuit. De bloemstengel torent boven de rozet uit en draagt enkele knikkende bloemen met witte, bij het ouder worden roze aanlopende bloemdekbladen. Voor de maten geldt hier een voorbehoud: betrouwbare cijfers zijn alleen in de monografie van 2011 te vinden en die stond bij het schrijven van deze bladzijde niet ter beschikking, dus zijn ze weggelaten.
Gelijkende soorten
Het geslacht is in het veld lastig; de soorten verschillen in de vorm van de beker, de beharing van de binnenwand en vooral in de vorm van het nectarlepeltje. Op de Roraima en de omringende tafelbergen staat deze soort meestal alleen, wat het eenvoudiger maakt dan elders in het gebergte. Van Sarracenia is elke Heliamphora in één oogopslag te scheiden door de uitgietspleet: een trompetbekerplant vult zich met regenwater en heeft een kap over de mond, een tafelbergbekerplant laat het overtollige water door de wand weglopen en heeft in plaats van een kap alleen dat kleine lepeltje. Van Darlingtonia scheidt hem alles: die heeft een bolle kap met vensters, een gespleten tong en een naar onderen wijzende mond.
De val en hoe hij werkt
Een bekerval die het van gladheid en van water moet hebben, niet van een deksel. Het nectarlepeltje aan de achterrand scheidt suiker af en lokt insecten naar de rand van de beker. De bovenste helft van de binnenwand is bekleed met korte, dicht opeenstaande, naar beneden gerichte haren; zodra die nat zijn — en op een tafelberg zijn ze bijna altijd nat — glijdt een insect erover weg als een auto over een natte weg. Onderin staat een laag vloeistof waarin de prooi verdrinkt. Het bijzondere zit in de wand: op vaste hoogte zit een spleet of gat waardoor het teveel aan regenwater wegloopt. Dat is geen detail maar de voorwaarde om hier te kunnen leven, want op deze plateaus valt zoveel regen dat een gesloten beker zou vollopen, omkiepen en zijn vangst verliezen. De spleet houdt het vocht ondiep en constant. Eigen verteringsenzymen zijn bij de meeste soorten van het geslacht niet aangetoond; het afbraakwerk wordt grotendeels gedaan door bacteriën en door de larven die in het vocht wonen.
Standplaats en ecologie
De toppen en de bovenste hellingen van tafelbergen: open, permanent natte plekken tussen de zandsteenblokken, veenkussens, hellingen waar het water over de rots sijpelt, en de randen van poelen. De bodem is bijzonder zuur en extreem arm — verweerde zandsteen en kwartsiet houden nauwelijks voedingsstoffen vast — en dat is precies de reden dat vleesetende planten hier de overhand hebben. Het klimaat is koel en nat, met bijna dagelijkse wolken, hoge luchtvochtigheid en sterke ultraviolette straling.
Verspreiding en hoogte
Het Roraimamassief en de tafelbergen daaromheen, op de grens van Venezuela, Brazilië en Guyana; onder meer de Roraima zelf, de Kukenán, de Yuruaní, de Maringma en de Wei-Assipu. Het hele areaal ligt boven de tweeduizend meter en beslaat bij elkaar niet meer dan een handvol plateaus. Daarbuiten komt de soort niet voor.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Wat er aan variatie is, hangt aan de berg: planten van de ene tafelberg verschillen licht van die van de volgende in de grootte en de kleur van de beker, maar die verschillen lopen in elkaar over en zijn nooit als aparte eenheid vastgelegd. Natuurlijke kruisingen komen in het geslacht voor waar twee soorten op dezelfde berg staan; op het Roraimamassief speelt dat nauwelijks, omdat deze soort er meestal de enige is.
Waar en wanneer te zien
De Roraima is de enige tafelberg die met een gewone meerdaagse tocht te bereiken is, vanaf het dorp Paraitepui, en de plant staat er langs de paden op de natte plekken van het plateau. Zoek waar het water blijft staan tussen de rotsblokken en waar de begroeiing laag blijft; de knikkende witte bloem boven de rozet is van veraf het opvallendst. Het hele plateau ligt in nationaal park en alles wat er groeit is beschermd; ga met een vergunning en een gids, blijf op de gebaande paden en neem niets mee.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd door de IUCN: de Rode Lijst kent aan deze soort geen categorie toe. Wat er wél bekend is: de soort komt op een handvol tafelbergen voor, de belangrijkste daarvan liggen in beschermd gebied — het Canaima Nationaal Park in Venezuela en het aangrenzende park rond de Roraima in Brazilië — en de plateaus zijn moeilijk bereikbaar, waardoor de standplaatsen grotendeels ongeschonden zijn. De druk die er is, komt van de trektochten naar de top, met betreding van de natte vegetatie langs de paden, en van het verzamelen voor de liefhebbersmarkt. Het geslacht staat niet in CITES.
Wetenschappelijke naam
Heliamphora nutans | Bentham, 1840
George Bentham beschreef de soort in 1840 in de Transactions of the Linnean Society of London, op basis van materiaal dat de Duits-Britse ontdekkingsreiziger Robert Hermann Schomburgk had verzameld. De typelocatie ligt op de tafelberg Mount Roraima, op de grens van Guyana, Venezuela en Brazilië. De geslachtsnaam Heliamphora komt van het Griekse helos ('moeras') en amphoreus ('kruik, amfoor') — dus letterlijk 'moeraskruik', ondanks de veelgehoorde misvatting dat de naam van helios ('zon') zou komen. De soortnaam nutans is Latijn voor 'knikkend', naar de overhangende stand van de bekers.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.