Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes angasanensis

Nepenthes angasanensis

Een soort waarover de specialisten het niet eens zijn. Nepenthes angasanensis werd in 1999 beschreven door Maulder, Schubert, Salmon en Quinn, in Carnivorous Plant Newsletter, naar planten van de Puncak Angasan in de provincie Aceh, waarnaar ze genoemd is. Ze staat zo dicht bij N. mikei en N. tobaica dat Cheek & Jebb haar in hun Flora Malesiana-behandeling (2001) niet als aparte soort opnamen, terwijl Clarke (2001) en latere Indonesische onderzoekers haar wel erkennen. De wereldchecklist, die deze gids volgt, aanvaardt de naam.

Nepenthes angasanensis
Foto: Maulder, R; Salmon, B — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, slanke klimplant uit de verwantschap van N. mikei, met smalle bladeren en kleine, smalle bekers. Het duidelijkste verschil met de verwanten zit niet in de bekers maar onder de grond: N. angasanensis vormt ondergrondse uitlopers, zodat een plant zich als een losse groep stengels over de bodem kan uitbreiden, wat bij N. mikei en N. tobaica niet voorkomt. Verder heeft ze een gevorkt spoortje onder het deksel, fijne tanden van 1,5 tot 2 mm aan de binnenrand van het peristoom, en een zeer dichte bezetting met verteringsklieren in de beker, rond 300 per vierkante centimeter. De vrouwelijke bloeiwijze is kort, 5,5 tot 12,5 cm, met 9 tot 17 bloemen op eenbloemige steeltjes zonder schutblaadjes. Voor de afmetingen van stengel, blad en bekers is voor deze gids geen toetsbare bron gevonden; die velden blijven daarom leeg.

Gelijkende soorten

Nepenthes mikei is de naaste verwant; in de cladistische analyse van Clarke (2001) vormen de twee een zustergroep met 79 procent steun. N. mikei heeft kortere peristoomtanden, minder verteringsklieren (150 tot 180 per vierkante centimeter), draagt schutblaadjes op de bloemsteeltjes en groeit altijd op de grond, op open, blootgestelde kammen. N. tobaica is lichter gekleurd, heeft bredere bladeren en een langere bloeiwijze met tweebloemige steeltjes, en vormt geen uitlopers. Omdat N. angasanensis kenmerken van N. densiflora en N. tobaica combineert, is geopperd dat het om een kruising van die twee zou gaan.

De val en hoe hij werkt

Een smalle bekerval zoals bij N. mikei: nectarklieren op het peristoom en onder het deksel lokken insecten, de rand wordt bij vocht glad, en de prooi zakt weg in de vloeistof onderin. De bijzonder hoge dichtheid aan klieren in de binnenwand wijst op een snelle opname van voedingsstoffen uit de vangst. De onderbekers staan in het mos, vaak aan de uitlopers, en vangen vooral lopende dieren; de hoger aan de stengel gevormde bekers vangen ook vliegende insecten.

Standplaats en ecologie

Bergnevelwoud en open vegetatie op de hoogste delen van het gebergte (B1, R5), over een brede hoogtezone van ongeveer 1400 tot 3100 m. Anders dan N. mikei, die aan open, zonnige kammen gebonden is, groeit N. angasanensis ook in schaduwrijk bos, zowel op de grond als epifytisch op bemoste stammen. Dankzij de ondergrondse uitlopers kan ze zich in de moslaag en het strooisel uitbreiden.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, in de provincie Aceh in het noorden van het eiland. De typevindplaats is de Puncak Angasan; omdat de soort met N. mikei wordt verward, en veel bergen in Aceh slecht onderzocht zijn, is de precieze verspreiding buiten de typevindplaats onzeker. Hoogte: ongeveer 1400 tot 3100 m. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen vormen of variëteiten beschreven. Er is één natuurlijke hybride bekend, met N. densiflora, die in hetzelfde gebied groeit. De grootste onzekerheid is de status van de soort zelf: wie N. angasanensis bij N. mikei onderbrengt, beschouwt de verschillen als geografische variatie binnen één soort. De synopsis van de Sumatraanse Nepenthes van Hernawati en collega's (2022) erkent haar als afzonderlijke soort.

Waar en wanneer te zien

Het noordelijke Barisangebergte in Aceh is ruig en weinig bezocht, en toegang vereist lokale gidsen en vergunningen voor de beschermde gebieden. Wie N. angasanensis van N. mikei wil onderscheiden, kijkt naar de groeiwijze: meerdere stengels die uit de grond opkomen en onderling verbonden zijn, wijzen op uitlopers. Let ook op de standplaats: in schaduwrijk bos of epifytisch groeiend is eerder N. angasanensis te verwachten dan N. mikei. Fotografeer het spoortje onder het deksel en de binnenrand van het peristoom van dichtbij.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern): de soort groeit over een brede hoogtezone in afgelegen bergen van Aceh, voor een deel binnen beschermde gebieden. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Omdat haar status als soort betwist is, kan de beoordeling bij een taxonomische herziening veranderen.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes angasanensis | Maulder, Schubert, Salmon & Quinn, 1999

Nepenthes angasanensis werd in 1999 beschreven door Ch'ien Lee, David Schubert, Bruce Salmon en Barry Quinn, na een verzameltocht in Sumatra. De typelocatie ligt op de berg Puncak Angasan in Sumatra, waar de soort endemisch is en groeit op hoogtes tussen 1400 en 3100 m. De soortsnaam verwijst rechtstreeks naar de berg Puncak Angasan, waar het typemateriaal werd verzameld.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.