Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes densiflora
Nepenthes densiflora
Een soort van de hoogste toppen van het noorden van Sumatra, die lange tijd voor een kruising werd gehouden. B.H. Danser meldde in 1928 planten die hij als hybride van Nepenthes bongso en N. pectinata beschouwde; in 1940 beschreef hij deze planten als de zelfstandige soort N. densiflora, genoemd naar de dichte, gedrongen bloeiwijze. Het is een plant van het open bergstruikgewas boven de boomgrens, tot meer dan 3000 m hoog, waar weinig andere bekerplanten nog groeien.




Herkenning
Een klimplant met een stompe driehoekige tot vierkantige stengel van 2 tot 8 mm dik en leden van 1 tot 9 cm. De bladeren zijn dun leerachtig, ongesteeld, omgekeerd eirond tot omgekeerd eirond-lancetvormig of licht spatelvormig, 3 tot 15 cm lang en 1 tot 3,2 cm breed, met een rode middennerf. De onderbekers zijn eivormig, ongeveer 10 cm hoog en 3 cm breed, met gefranjerde vleugels van 3 mm (franje ongeveer 5 mm). Het peristoom is aan de voorkant rond en 3 tot 5 mm breed, en verbreedt naar het deksel toe tot een afgeplatte rand van 18 mm, met ribben op 0,5 tot 1 mm. Het deksel is rond, 3 tot 3,5 cm in doorsnee, met aan de onderkant een dichte bezetting van putvormige nectarklieren; het spoortje is ongedeeld, tot 7 mm. De bovenbekers zijn breed tot smal trechtervormig, bij de mond iets ingesnoerd, 9 tot 23 cm hoog en 3 tot 4,5 cm breed, met een peristoom van 2 tot 4 mm aan de voorkant tot 11 mm bij het deksel en een rond deksel tot 5,5 cm. De bekers zijn bleekgroen, het peristoom rood gestreept. Nieuwe groei, ranken en bloeiwijze dragen een dichte roodbruine beharing.
Gelijkende soorten
Nepenthes bongso heeft slankere, veel langere bovenbekers en een ijlere bloeiwijze. N. ovata uit het gebied rond het Tobameer heeft een opvallend, zijdelings afgeplat, vaak haakvormig aanhangsel onder het deksel, dat N. densiflora mist; de onderbekers van N. densiflora hebben bovendien een langere hals. N. diatas van dezelfde toppen heeft een houtig peristoom met duidelijk uitstekende buitenrand. N. angasanensis is veel kleiner en heeft smalle buisbekers.
De val en hoe hij werkt
Het peristoom is asymmetrisch: smal aan de voorkant, breed en afgeplat onder het deksel. Juist daar, onder de dicht met nectarklieren bezette onderkant van het deksel, zoeken insecten de nectar, en daar is het oppervlak het breedst en het gladst als het nat is. Wie uitglijdt, valt in de beker, waar een verteringsvloeistof de prooi afbreekt. De bovenbekers hangen in het lage struikgewas en vangen vooral vliegende insecten; de onderbekers staan in het mos en vangen lopende dieren.
Standplaats en ecologie
Open bergstruikgewas en de overgang naar nevelwoud op de hoogste delen van het gebergte (R5, B1), van ongeveer 1700 tot boven 3000 m. Cheek & Jebb (2001) noemen de standplaats 'montaan struikgewas' tussen 1700 en 3000 m; Clarke (2001) geeft 1700 tot 3200 m. De vegetatie is laag, winderig en koud, met een dunne humuslaag op vulkanisch of ander gesteente.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in de provincie Aceh in het noorden van het eiland, met vindplaatsen in en rond het Nationaal Park Gunung Leuser. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Er is een natuurlijke hybride bekend met N. angasanensis. De soort zelf werd, zoals gezegd, eerst als kruising van N. bongso en N. pectinata opgevat; die interpretatie is verlaten. In de cladistische analyse van Clarke (2001) valt N. densiflora in een groep met andere hooglandsoorten van Sumatra.
Waar en wanneer te zien
De hoogste toppen van Aceh liggen in afgelegen, beschermd gebied en zijn alleen via meerdaagse tochten met vergunning en lokale gidsen te bereiken. Wie er is, zoekt boven de boomgrens in het lage, winderige struikgewas: bleekgroene bekers met een rood gestreept peristoom dat naar achteren sterk verbreedt, en een rond deksel. Neem warme kleding mee; op deze hoogte kan het 's nachts dicht bij het vriespunt komen.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern, beoordeling van Clarke uit 2018): de soort groeit op grote hoogte in afgelegen berggebied, grotendeels binnen een nationaal park, waar weinig directe bedreigingen zijn. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Brand in het bergstruikgewas en klimaatverandering, die het leefgebied van hoogbergsoorten naar boven drukt, zijn de voornaamste langetermijnrisico's.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes densiflora | Danser, 1940
Nepenthes densiflora werd in 1940 beschreven door Benedictus Hubertus Danser, in "A new Nepenthes from Sumatra" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg, serie III, 16: 268-271). De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort is endemisch voor Sumatra, op 1700-3200 m hoogte. De naam is Latijn voor "dichtbloemig" ("densus", dicht, + "flos", bloem) en verwijst naar de dicht opeengepakte bloeiwijze van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.