Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes clipeata

Nepenthes clipeata

Misschien de meest bedreigde bekerplant ter wereld. Nepenthes clipeata is bekend van één granietberg in West-Kalimantan, waar hij op bijna loodrechte rotswanden groeit. De naam betekent 'schildvormig' en slaat op de ronde bladeren, waarvan de rank niet aan de top maar aan de onderkant van de bladschijf is ingeplant, als het handvat van een schild. Kort na zijn ontdekking in 1894 was hij er nog talrijk; door verzamelen en branden is de wilde populatie in een eeuw teruggelopen tot enkele planten, en het voortbestaan van de soort hangt inmiddels grotendeels af van planten in cultuur.

Nepenthes clipeata
Foto: NoverKelana — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een niet-klimmende plant met een korte, stevige stengel van hooguit 2 m. De bladeren zijn bijna rond en schildvormig: de rank is aan de onderkant van de bladschijf ingeplant, een stuk voor de top, wat de soort op Borneo uniek maakt. De plant maakt maar één soort beker: onderaan bolvormig en naar boven iets trechtervormig, tot 30 cm hoog volgens de literatuur, zonder vleugels, met een sterk gewelfd deksel. De hele plant is dicht bedekt met lange bruine haren. De bloeiwijze is klein, zelden langer dan 25 cm; de meeste bloeiende planten die in het wild zijn gezien, waren mannelijk.

Gelijkende soorten

Geen andere soort van Borneo heeft schildvormige, ronde bladeren met de rank onder de bladschijf, en op zijn berg is hij daarom onmiskenbaar. De enige soort met een vergelijkbaar afwijkende bladvorm is Nepenthes truncata van de Filipijnen, die veel grotere, afgeknotte bladeren en veel grotere bekers heeft en niet verwant hoeft te zijn. In de omgeving groeien laaglandsoorten als N. albomarginata, N. rafflesiana en N. reinwardtiana, en met alle drie zijn hybriden bekend; die hebben tussenvormige bladeren, meestal zonder volledig schildvormige inplanting.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil zonder vleugels, gedragen door een plant die niet klimt en dus geen onder- en bovenbekers in de gewone zin heeft. De bekers hangen aan de rank onder de ronde bladeren tegen de rotswand. Ze zijn onderaan bol, zodat er veel vocht in past, en worden naar de mond toe iets wijder. Het sterk gewelfde deksel houdt regenwater grotendeels buiten. Over de prooi is weinig bekend; gezien de standplaats op een kale rotswand zullen mieren en andere dieren die over de wand lopen een groot deel uitmaken, maar gepubliceerde gegevens ontbreken.

Standplaats en ecologie

Bijna loodrechte granietwanden (R1), op 600 tot 800 m volgens Clarke en tot ongeveer 875 m volgens een latere inventarisatie. De plant wortelt in spleten en op smalle richels waar zich wat humus heeft verzameld, en staat in het volle licht. Wanden als deze drogen in de droge tijd sterk uit, en de omringende vegetatie is gevoelig voor brand. Juist de onbereikbaarheid van de wanden is de reden dat er nog planten over zijn.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo, en bekend van één granietberg in het stroomgebied van de Kapuas in de provincie West-Kalimantan, Indonesië. Omdat de soort ernstig bedreigd is, noemt deze gids de berg niet bij naam en geeft hij geen verdere aanwijzingen. Onze soortenlijst noemt het regentschap Kapuas Hulu; volgens de literatuur ligt de berg verder stroomafwaarts, buiten dat regentschap, zodat hier alleen West-Kalimantan wordt aangehouden.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. Er zijn natuurlijke hybriden bekend met N. albomarginata, N. rafflesiana en N. reinwardtiana. In cultuur bestaan slechts drie of vier genetisch verschillende lijnen van legaal gekweekte planten, wat de genetische basis van de soort buiten de berg zeer smal maakt. Daarom is het vastleggen van de genetische variatie in het wild een prioriteit van de beschermingsprojecten.

Waar en wanneer te zien

Bezoek de groeiplaats niet en zoek niet naar de soort. Elke betreding van de wanden, elke gebroken plant en elk verzameld zaadje weegt bij een wilde populatie van enkele planten tot enkele honderden zwaar. Wie de soort wil zien, kan terecht in botanische tuinen en onderzoekscollecties die aan een reddingsprogramma deelnemen. Wie in West-Kalimantan onderzoek wil doen, moet via de Indonesische autoriteiten en de lopende beschermingsprojecten werken.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als ernstig bedreigd (Critically Endangered). De schattingen van de wilde populatie lopen sterk uiteen: ongeveer vijftien planten in 1995, twee tot zes volgens Clarke in 2001, 260 planten op 45 plekken bij een inventarisatie in 2010, en zeven planten, waarvan vier volwassen, in 2016. De oorzaken zijn verzamelen door liefhebbers vanaf de jaren 1980, oogst door de lokale bevolking, en de droogte en bosbranden van El Niño in 1997 en 1998. Sinds 2011 lopen er beschermingsprojecten in het wild en in cultuur. De soort staat in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes clipeata | Danser, 1928

Nepenthes clipeata werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies", op basis van materiaal dat Johannes Gottfried Hallier al in 1894 had verzameld. De bijna verticale granietwanden van de berg Kelam, West-Kalimantan, Indonesië, op 600-800 m hoogte — de soort is nergens anders bekend. De naam komt van het Latijnse "clipeus" ("rond schild") en verwijst naar de bladvorm: de bladeren zijn schildvormig (peltaat), waarbij de rank de onderzijde van het blad bereikt vóór de top.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.