Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes hirsuta

Nepenthes hirsuta

De 'harige' bekerplant van Borneo, in 1873 door Hooker beschreven en herkenbaar aan een laag dikke bruine haren die de stengel, de bladeren en zelfs de bloeiwijze bedekt. Nepenthes hirsuta is een bescheiden soort van het heuvelland, met overwegend groene bekers, die in de schaduw van zijn bekendere verwanten weinig aandacht krijgt. Hij groeit op arme, zure bodems op zandsteen, van het heidebos in het laagland tot de bemoste hellingen van het lagere bergbos.

Nepenthes hirsuta
Foto: No machine-readable author provided. NepGrower~commonswiki assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons
Nepenthes hirsuta — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: NepGrower — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons
Nepenthes hirsuta — de standplaats
De standplaats · Foto: en:User:NepGrower — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant met een stengel die dicht bezet is met lange bruine haren. De bladeren zijn leerachtig, gootvormig-spatelvormig tot omgekeerd eirond, tot 20 cm lang, met een spitse tot afgeronde top en een versmalde voet die in een zijdelings afgeplatte, half stengelomvattende schede overgaat; de lengtenerven zijn weinig opvallend. De haren zijn 1 tot 2 mm lang en bruin. De bekers zijn overwegend groen, sommige met rode vlekken aan de binnenkant. Toetsbare maten van de bekers en van de stengellengte waren voor deze gids niet beschikbaar; het maatveld voor de val blijft daarom leeg.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn Nepenthes hispida en N. macrovulgaris; ook een verwantschap met N. philippinensis van Palawan is geopperd. Het onderscheid met N. hispida is het belangrijkst: die heeft een zeer dichte beharing van borstelachtige, paarsgrijze haren van 1,5 tot 4 mm en een stengelomvattende, aflopende bladvoet, terwijl N. hirsuta bruine haren van 1 tot 2 mm heeft en geen aflopende bladvoet. In de bloem heeft N. hirsuta een langere meeldraadzuil, 3,5 tot 6 mm tegenover 1,5 tot 2 mm. N. macrovulgaris is een soort van ultramafische bodems.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil van het gewone type, met onder- en bovenbekers die bij deze soort weinig in het oog lopen: overwegend groen, soms met rode vlekken aan de binnenwand, en aan de buitenkant, zoals de rest van de plant, behaard. Of de beharing bij het vangen een rol speelt, bijvoorbeeld als looppad voor mieren, is niet onderzocht. Het vangen gebeurt zoals in het hele geslacht via het gladde peristoom en een verteringsvloeistof onderin de beker. Specifieke prooigegevens zijn niet gepubliceerd.

Standplaats en ecologie

Arme, zure bodems, vooral op zandsteen, van 200 tot 1100 m. De soort groeit in kerangas, het heidebos op arme zandgrond (B3), op bemoste oevers en hellingen in lager bergbos (B1), en op open plekken en in verstoorde vegetatie op lagere kammen (B5). Dat hij ook in verstoorde, open vegetatie standhoudt, maakt hem op de schaal van het eiland minder kwetsbaar dan veel bergsoorten.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo. De wereldchecklist noemt alleen Borneo; een nadere verdeling over de deelstaten en provincies is voor deze gids niet in een toetsbare bron gevonden en wordt daarom niet gegeven. Hoogte: 200 tot 1100 m. De gebiedsaanduiding in onze soortenlijst (Borneo) klopt.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 20 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

In de negentiende en vroege twintigste eeuw zijn drie variëteiten beschreven: var. glabrescens (1882), en var. glabrata en var. typica (1908); ze worden tegenwoordig niet als aparte taxa erkend, maar laten zien dat de dichtheid van de beharing varieert. N. leptochila, in 1928 door Danser beschreven, geldt als synoniem. Er zijn natuurlijke hybriden bekend met N. albomarginata en N. ampullaria, en een kruising met N. lowii wordt vermoed.

Waar en wanneer te zien

Zoek in heidebos en op open, arme hellingen op zandsteen in het heuvelland, tussen 200 en 1100 m. De soort valt niet op door zijn bekers maar door de beharing: een klimplant met bruin behaarde stengels en bladranden is op arme grond op Borneo al een sterke aanwijzing. Controleer de haarkleur en -lengte om N. hispida uit te sluiten. Omdat hij ook langs paden en in verstoorde vegetatie groeit, is hij vaak zonder lange tochten te vinden.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Hij verdraagt verstoring, groeit over een breed hoogtebereik en komt in verschillende vegetatietypen voor. Het verlies van kerangas en heuvelbos door ontginning, plantages en branden treft wel een deel van zijn leefgebied. Als lid van het geslacht staat hij in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes hirsuta | J.D. Hooker, 1873

Nepenthes hirsuta werd in 1873 beschreven door Joseph Dalton Hooker, in "Ordo CLXXV bis. Nepenthaceae" (Prodromus Systematis Naturalis Regni Vegetabilis 17: 90-105). De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort is endemisch voor Borneo, waar ze op 200-1100 m hoogte groeit in kerangasbos, op mosachtige oevers en op zandsteenbodem. De naam komt van het Latijnse "hirsutus" ("harig, borstelig") en verwijst naar de dichte beharing met bruine haren, die zelfs op de bloeiwijze aanwezig is.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.