Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes adnata
Nepenthes adnata
Een kleine, weinig bekende bekerplant van de zandsteenrotsen in het heuvel- en bergland van West-Sumatra, en een soort met een ingewikkelde naamsgeschiedenis. Willem Meijer verzamelde het typemateriaal op 24 augustus 1957, maar dat was steriel en onvolledig. Mitsuru Hotta en Rusjdi Tamin beschreven de soort in 1986, zonder de toen verplichte Latijnse diagnose, zodat de naam ongeldig was; Jan Schlauer leverde die diagnose in 1994 in Blumea, en sindsdien heet de soort Nepenthes adnata Tamin & M.Hotta ex Schlauer. De naam verwijst naar de bladvoet, die met de stengel vergroeid is.


Herkenning
Een tengere klimplant, zelden langer dan 2 tot 3 m, met ronde stengels van 2 tot 2,5 mm en leden van 3 tot 10 cm. De bladeren zijn smal omgekeerd lancetvormig, meestal 9 tot 11 cm lang en 2,5 tot 3,1 cm breed, met een ronde, soms licht uitgerande top en een voet die geleidelijk versmalt en aan de stengel vastgegroeid is; aan elke kant lopen drie of vier (soms vijf) lengtenerven. De onder- en tussenbekers zijn onderaan licht buikig en bovenaan buisvormig, 6,8 tot 7,5 cm hoog en 1,7 tot 2,3 cm breed, met gefranjerde vleugels van 1 (tot 2) mm en een rond peristoom van 0,6 tot 1,2 mm met duidelijke ribben en tandjes aan de binnenkant. Het deksel is breed eirond tot bijna rond, 1,8 tot 2,1 bij 1,5 tot 1,9 cm, met verspreide, kratervormige klieren; het spoortje is draadvormig, 7 tot 9 mm, en gevorkt. De bekers zijn wit, voor ongeveer driekwart bedekt met rode strepen en vlekken, met donkerviolette nerven; het peristoom is donkerpaars. Bovenbekers zijn niet beschreven.
Gelijkende soorten
De plaatsing binnen het geslacht is omstreden. Nepenthes tentaculata, N. gracillima en N. gracilis zijn als verwanten voorgesteld, maar Clarke (2001) ziet eerder verwantschap met Sumatraanse soorten als N. gymnamphora, N. longifolia en N. albomarginata. Zaailingen lijken op die van N. longifolia, maar volwassen planten verschillen duidelijk. N. tobaica heeft een vergelijkbaar postuur, maar verschilt in stengel en bladschijf, en groeit in het noorden van het eiland.
De val en hoe hij werkt
Een kleine buisval. De bekers hangen tussen het mos en de vegetatie op de rotswand en vangen wat daar rondloopt en rondvliegt: mieren en andere kleine geleedpotigen, en kleine vliegen. Het peristoom is smal maar duidelijk geribbeld en aan de binnenkant getand, zodat het bij vocht glad wordt en een eenmaal gevallen insect moeilijk terug kan klimmen. De kratervormige klieren op het deksel scheiden nectar af.
Standplaats en ecologie
Bemoste zandsteenwanden en rotskammen (R1) in vochtig heuvel- en bergbos, tussen ongeveer 600 en 1200 m. De planten groeien tussen dichte vegetatie op de rots, in gefilterd zonlicht, waar sijpelwater en regen de moslaag permanent vochtig houden. Het is een voor Nepenthes ongewone standplaats: een steile, arme, maar natte rotswand.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in het bergland van West-Sumatra. De soort is maar van een klein gebied bekend. Omdat ze bedreigd is, noemt deze gids geen preciezere vindplaatsen dan het bergland van de provincie. Jebb & Cheek (1997) geven 700 tot 1000 m; Clarke (2001) 600 tot 1200 m. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven. Er zijn geen natuurlijke hybriden bekend, hoewel de soort samen groeit met N. tenuis. Dat is opmerkelijk in een geslacht waarin kruisingen tussen soorten die bij elkaar groeien eerder regel dan uitzondering zijn, en het kan erop wijzen dat de twee soorten op verschillende tijden bloeien of genetisch ver uiteen staan.
Waar en wanneer te zien
Deze bedreigde soort groeit op kwetsbare, bemoste rotswanden, en een bekende, bereikbare populatie wordt al door verzamelaars geplunderd. Zoek haar niet op; wie bij veldwerk in het heuvelland van West-Sumatra toch een tengere bekerplant met wit-rode, donker geaderde bekers op een zandsteenwand ziet, fotografeert zonder de rots te betreden en deelt geen locatiegegevens. Een losgetrokken moslaag op een rotswand herstelt zich in jaren niet.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als bedreigd (Endangered). Het verspreidingsgebied is zeer klein, en de goed bereikbare populatie wordt ernstig bedreigd door verzamelaars en door branden bij het vrijmaken van grond voor landbouw. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II. Het ontbreken van herbariummateriaal met bloemen en bovenbekers laat zien hoe weinig er nog van de soort bekend is.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes adnata | Tamin & Hotta ex Schlauer, 1994
Voor het eerst in 1986 beschreven door Mitsuru Hotta en Rusjdi Tamin, maar deze beschrijving was ongeldig omdat een Latijnse diagnose ontbrak. Jan Schlauer voegde die acht jaar later toe; de geldige beschrijving verscheen als Schlauer & Nerz 1994, in Blumea 39: 139–142, op basis van een holotype (Meijer 6941) dat op 24 augustus 1957 werd verzameld. De typelocatie ligt nabij de rivier Tjampo, ten oosten van Payakumbuh, Taram, West-Sumatra, op 1000 meter hoogte. De naam "adnata" is Latijn voor "breed aangehecht" en verwijst naar de manier waarop de bladschijf aan de stengel is aangehecht.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.