Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes izumiae
Nepenthes izumiae
Een bekerplant die bijna alleen in de boomkronen leeft. Nepenthes izumiae werd in juli 2000 gevonden tijdens dezelfde expeditie naar het bergland ten noorden van Bukittinggi die ook N. jacquelineae opleverde. Clarke vermeldde haar in zijn monografie van 2001 nog als 'Nepenthes species B'; in 2003 beschreven Troy Davis, Charles Clarke en Rusjdi Tamin haar formeel in Blumea, en noemden haar naar Izumi Davis, de vrouw van de eerste auteur. Het is een forse soort met lange, cilindrische onderbekers, die op bemoste takken hoog in het nevelwoud groeit.



Herkenning
Een klimplant met een ronde tot hoekige stengel tot 8 mm dik en leden tot 12 cm. De rozetbladeren zijn opvallend groot, breed lancet- tot spatelvormig, tot 25 cm lang en 8 cm breed, ongesteeld, met drie lengtenerven aan elke kant; de bladeren aan de klimstengel zijn kleiner en eirond, tot 20 cm lang en 3 cm breed, met een ronde top. De bladrand draagt blijvende haren. De onderbekers zijn het meest gezien: tot 30 cm hoog en 6 cm breed, onderaan trechtervormig en daarboven cilindrisch, met gefranjerde vleugels tot 6 mm (franje tot 9 mm), een mond tot 6 cm, en een peristoom tot 3 cm breed met uitgesproken, smalle tanden tot 1 cm lang. Het deksel is rond, tot 8 cm doorsnee, met aan de onderkant vaak een haakvormig aanhangsel of kam tot 1 cm. Bovenbekers worden zelden gevormd: tot 15 cm hoog en 4 cm breed, met een smal peristoom tot 8 mm.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn Nepenthes lingulata en N. singalana. N. lingulata uit Noord-Sumatra heeft een driehoekig deksel met een lange, draadvormige tong aan de onderkant, tot 4 cm, en smallere bekers; N. izumiae heeft een rond deksel en hooguit een korte kam. N. singalana heeft smallere bladschijven zonder blijvende randharen, zelden een kam onder het deksel, en groeit op de grond in plaats van epifytisch. N. bongso heeft slankere bovenbekers en groeit veel vaker terrestrisch.
De val en hoe hij werkt
De grote onderbekers, die op bemoste takken en tussen epifyten rusten, vangen wat er over het mos kruipt: mieren en andere geleedpotigen die in de boomkronen leven. Een epifytische beker ligt midden in een eigen kleine leefwereld van mos, varens en strooisel, en daar is veel verkeer van kleine dieren. De peristoomtanden aan de binnenrand hangen boven de opening, en het brede, geribbelde peristoom wordt bij de dagelijkse mist en regen glad. De kam onder het deksel draagt nectarklieren en lokt insecten naar een plek boven de mond, zodat een uitglijder in de beker eindigt. Onderin staat een verteringsvloeistof.
Standplaats en ecologie
Vochtig, bemost bovenmontaan nevelwoud (B1) boven 1700 m, met gefilterd licht. De soort groeit bijna uitsluitend epifytisch, op met mos beklede takken en stammen, soms op de grond boven een dikke moslaag. De begeleidende vegetatie wordt gedomineerd door varens van de geslachten Dicranopteris en Dipteris. De opgegeven hoogte is 1700 tot 1900 m. Voor een epifyt is dit een gunstige omgeving: het mos op de takken houdt water vast, de lucht is vrijwel verzadigd, en uitdroging, het grootste risico voor planten zonder wortels in de bodem, komt nauwelijks voor.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, in het Barisangebergte van West-Sumatra, en alleen bekend van twee toppen ten noorden van Bukittinggi. De beschrijvers hielden de precieze vindplaats bewust geheim om de populaties tegen verzamelaars te beschermen. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of kleurvormen beschreven. Natuurlijke hybriden zijn bekend met N. dubia, die kleine, geelgroene trechterbekers oplevert, en met N. jacquelineae, met roodachtige bekers waarin de kenmerken van N. jacquelineae overheersen. Beide soorten groeien in hetzelfde bergland.
Waar en wanneer te zien
Het bergland ten noorden van Bukittinggi heeft geen gemarkeerde paden naar de standplaatsen; ga met een lokale gids. Kijk omhoog naar de bemoste takken: de lange onderbekers liggen daar tussen het mos en de varens, niet op de bosbodem. Door de gefilterde lichtval zijn ze gemakkelijk over het hoofd te zien. De soort is gevoelig voor verzamelen; deel geen locatiegegevens.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). Toch is de situatie kwetsbaarder dan die categorie doet vermoeden: de soort is van slechts twee toppen bekend, de populaties liggen buiten nationale parken, en ze worden bedreigd door stroperij en verzamelen, bosbranden en ontginning. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes izumiae | Davis, Clarke & Tamin, 2003
Nepenthes izumiae werd in 2003 beschreven door Charles Clarke, Troy Davis en Rusjdi Tamin, in "Nepenthes izumiae (Nepenthaceae): a new species from Sumatra" (Blumea 48(1): 179-182). Het holotype (Clarke, Davis & Tamin 1309) werd op 13 juli 2000 verzameld in het Barisan-gebergte, ten noorden van Bukittinggi, en ligt in het Herbarium Universitas Andalas (ANDA), Padang, West-Sumatra; de precieze locatie is bewust niet in de beschrijving vrijgegeven, om reden van natuurbescherming. Het Barisan-gebergte, ten noorden van Bukittinggi, West-Sumatra; de precieze locatie is bewust niet vrijgegeven. De soortsnaam eert Izumi Davis, de echtgenote van Troy Davis, een van de beschrijvende auteurs.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.