Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes flava
Nepenthes flava
De gele bekerplant van Noord-Sumatra. Nepenthes flava, Latijn voor 'geel', heeft bekers die geheel geel tot geelgroen zijn, nooit gevlekt, met een brede, golvende crèmekleurige rand. Andreas Wistuba, Joachim Nerz en Andreas Fleischmann beschreven de soort in 2007 in Blumea; het holotype, verzameld op 1800 m, ligt in het Nationaal Herbarium in Leiden. De plant was al enkele jaren eerder bekend onder een voorlopige aanduiding. De vindplaats wordt door de beschrijvers bewust niet genoemd, en deze gids volgt dat.



Herkenning
Een kleine klimplant met een vrijwel ronde stengel van ongeveer 3 mm dik, groen tot donkerrood, met leden van 2 tot 14 cm. De bladeren zijn langwerpig tot smal omgekeerd eirond, 7 tot 9 cm lang en 1,5 tot 2,5 cm breed, geelgroen, met drie duidelijke lengtenerven. De onderbekers zijn eirond-trechtervormig, 4 tot 7 cm hoog en 3 tot 4 cm breed, met vleugels van 2 tot 3 mm met draadvormige franje van ongeveer 5 mm, een rond peristoom van 8 tot 10 mm met fijne ribbels, en een deksel van 2,5 tot 3,5 bij 1,5 tot 2 cm. De bovenbekers ontspringen abrupt aan het einde van de rank; ze zijn onderaan buisvormig en bovenaan trechtervormig, met een peristoom van 5 tot 15 mm breed waarvan de buitenrand duidelijk gekreukt of golvend is, met zeer kleine tanden. Het deksel is smal eirond, zonder aanhangsels. De kleur is kenmerkend: geel tot geelgroen, zelden roodachtig, nooit gevlekt, met een crème tot lichtgeel peristoom. De mannelijke bloeiwijze is kort, 6 tot 7 cm, met 15 tot 40 bloemen.
Gelijkende soorten
Het meest lijkt Nepenthes jacquelineae uit West-Sumatra, met eveneens een zeer breed peristoom op de bovenbekers, maar die heeft groene bekers met een rood peristoom en grote kratervormige klieren onder het deksel. N. inermis heeft vergelijkbare trechtervormige bovenbekers, maar vrijwel zonder peristoom. N. eymae uit Sulawesi heeft eveneens een breed peristoom maar is een forsere plant. Van de soorten waarmee N. flava samen groeit, zoals N. mikei en N. spectabilis, onderscheidt ze zich direct door de effen gele kleur.
De val en hoe hij werkt
Een combinatie van valkuil en vliegenpapier. De bekervloeistof is zeer stroperig en bedekt als een kleverige laag ook de binnenwand boven het vloeistofoppervlak, zodat kleine vliegende insecten al kleven voordat ze de vloeistof bereiken. Het brede, golvende peristoom van de bovenbekers lokt met nectar en wordt bij vocht glad. De onderbekers, klein en rond, vangen tussen het mos vooral lopende dieren. De effen gele kleur is mogelijk zelf een lokmiddel voor bepaalde insecten, maar dat is niet onderzocht.
Standplaats en ecologie
Bovenmontaan bemost bergbos (B1) tussen 1800 en 2200 m, gedomineerd door Rhododendron en Leptospermum, open en laag: de vegetatie wordt zelden hoger dan 4 tot 5 m. De soort groeit er meestal op de grond in de open delen van het bos, en klimt door het lage struikgewas (R5). Ze deelt haar berg met meerdere andere soorten.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Sumatra, en bekend van één berg in het Barisangebergte van de provincie Noord-Sumatra, tussen 1800 en 2200 m. De precieze vindplaats wordt in de wetenschappelijke literatuur bewust niet genoemd, en deze gids volgt dat. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of kleurvormen beschreven; zelden zijn planten roodachtig in plaats van geel. Natuurlijke hybriden zijn gemeld met N. ovata en N. rhombicaulis. Met N. mikei en N. spectabilis, die op dezelfde berg groeien, zijn geen hybriden bekend.
Waar en wanneer te zien
Omdat de vindplaats bewust geheim wordt gehouden en de soort al door verzamelaars wordt bedreigd, is dit geen soort om gericht naar te zoeken. Wie in het hooggebergte van Noord-Sumatra een bekerplant met effen gele trechterbekers en een brede, golvende, crèmekleurige rand tegenkomt, heeft vrijwel zeker N. flava voor zich. Fotografeer, noteer de hoogte, maar publiceer geen coördinaten.
Staat van instandhouding
De soort is niet door de IUCN beoordeeld (NE). Wat bekend is: ze komt voor op één berg, buiten de grenzen van nationale parken, en ze wordt beschouwd als soort met een aanzienlijk risico door stroperij en overmatig verzamelen, omdat de gele bekers haar gewild maken bij liefhebbers. Het leefgebied is bovendien klein. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes flava | Wistuba, Nerz & Fleischmann, 2007
Nepenthes flava werd op 4 juli 2007 beschreven door Andreas Wistuba, Joachim Nerz en Andreas Fleischmann, in Blumea 52(1): 159-163. Het holotype (Wistuba cult. Wistuba 100201) werd verzameld op 1800 m hoogte op één enkele berg in het Barisan-gebergte, Noord-Sumatra, Indonesië; de precieze locatie is om reden van natuurbescherming niet openbaar gemaakt. Het materiaal ligt in het Nationaal Herbarium Nederland (Leiden). Eén enkele berg in het Barisan-gebergte, Noord-Sumatra, Indonesië, op 1800 m hoogte; de precieze locatie is niet openbaar gemaakt. De naam is Latijn voor "geel" en verwijst naar de heldergele kleur van de bovenste en de meeste onderste bekers.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.