Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes spectabilis

Nepenthes spectabilis

Een bekerplant van Noord-Sumatra met een sprekende naam: spectabilis betekent 'opvallend' of 'bezienswaardig'. De slanke bovenbekers, tot bijna 30 cm lang, zijn dicht bespikkeld en hangen aan lange ranken in het bemoste bergbos. De Duitse bosbouwkundige Julius August Lörzing verzamelde de eerste planten op 5 juni 1920 op de Gunung Sibayak, tussen 1800 en 1900 m; B.H. Danser beschreef de soort in 1928, en Jebb & Cheek wezen Lörzings specimen in 1997 aan als lectotype.

Nepenthes spectabilis
Foto: gbohne from Berlin, Germany — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Nepenthes spectabilis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Shawn Mayes — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een klimplant van 2 tot 3 m, volgens Clarke (2001) tot 6 m lang, met een ronde, soms afgerond vierkantige stengel van 5 tot 7 mm dik en leden van 3,5 tot 10 cm. Jonge delen zijn dicht bedekt met dof koperrode, viltige haren van 0,3 tot 0,7 mm. De bladeren zijn leerachtig, smal langwerpig, 15 tot 24 cm lang (tot 30 cm) en 3,4 tot 5,4 cm breed, versmald tot een gevleugelde bladsteel van 2 tot 7 cm. De onderbekers zijn 11 tot 15 cm hoog en 3 tot 6 cm breed, met twee gefranjerde vleugels van 2 tot 5 mm, een schuine mond en een afgeplat peristoom dat van 4 mm aan de voorkant tot 12 mm aan de achterkant verbreedt. Het spoortje is opvallend lang: 10 tot 16 mm bij de onder- en 11 tot 22 mm bij de bovenbekers, en ongedeeld. De bovenbekers zijn smal trechtervormig tot smal cilindrisch, 17 tot 28 cm lang en 3 tot 4,5 cm breed, met hooguit smalle vleugels in het bovenste deel en een deksel van 3,5 tot 5,5 cm met een kiel aan de onderkant. De stengel is paars; de bekers zijn lichtgroen tot purperbruin met talrijke donkere spikkels of crèmekleurige vlekken, het peristoom vaak geelgroen met bruine strepen.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes lavicola van het Geureudong-massief in Aceh. Die heeft een smaller peristoom, een kort spoortje van minder dan 6 mm, minder beharing, bolle, bijna kogelronde onderbekers in plaats van eivormig-cilindrische, en is donker bruinpaars tot bijna zwart in plaats van lichtgroen met spikkels; bovendien heeft ze opvallend grote schutbladen in de bloeiwijze. N. rigidifolia heeft dikkere, stijvere bladeren, eivormige bovenbekers en een vertakt spoortje. N. ovata heeft veel bollere onderbekers en een haakvormig aanhangsel onder het deksel.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil met twee soorten bekers. De onderbekers staan in het mos en vangen lopende dieren; de lange bovenbekers hangen vrij in de vegetatie. Bij onderzoek op de Gunung Bandahara in 1996 bleken in beide bekertypen kevers de belangrijkste prooi te zijn, en in de vloeistof leefden muggenlarven. Nectarklieren op het peristoom en onder het deksel lokken de prooi; het bredere achterdeel van het peristoom, onder het deksel, is de plek waar insecten die de nectar volgen het vaakst uitglijden.

Standplaats en ecologie

Bemost bergnevelwoud en laag, gedrongen bovenmontaan struikgewas (B1, R5), tussen ongeveer 1400 en 2200 m. De soort groeit meestal op de grond en klimt door de struiklaag, soms epifytisch. Ze prefereert open bos en struikgewas op bergkammen boven dicht, gesloten bos.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sumatra, in de provincies Noord-Sumatra en Aceh: van de omgeving van het Tobameer noordwaarts tot de Gunung Kemiri in Aceh. De typevindplaats is de Gunung Sibayak, een vulkaan ten noorden van het Tobameer. Andere bekende bergen zijn de Gunung Pangulubao en de Gunung Bandahara. De wereldchecklist geeft als gebied alleen Sumatra.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen formele variëteiten, maar de variatie tussen populaties is groot. Planten op de Gunung Pangulubao hebben smallere bekers; aan de westkant van het Tobameer komt een ranke vorm voor; op de Gunung Siluatan zijn de bekers geheel groen. Ook de beharing wisselt sterk. Natuurlijke hybriden zijn bekend met N. gymnamphora, N. mikei, N. ovata, N. rhombicaulis, N. rigidifolia en N. tobaica; de kruising met N. ovata heeft bekers die ongeveer tussen die van de ouders in staan.

Waar en wanneer te zien

De Gunung Sibayak ten noorden van het Tobameer is een veelbezochte vulkaan met een goed pad naar de top, en de klassieke vindplaats. Ook de Pangulubao, met zijn rijkdom aan bekerplanten, is een goede keuze. Zoek de lange, gespikkelde bovenbekers in het struikgewas langs de bergkam; de onderbekers liggen in het mos. Het lange, ongedeelde spoortje achter het deksel is een handig kenmerk om de soort van haar verwanten te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als kwetsbaar (Vulnerable). Het verspreidingsgebied is beperkt tot het noorden van Sumatra, en verzamelaars hebben op bereikbare bergen hun sporen nagelaten: Clarke merkte in 1995 op de Pangulubao al op dat er weinig jonge planten te zien waren, en weet dat aan verzamelen toe. Ook vuur op de druk bezochte vulkanen en ontginning van de lagere hellingen spelen een rol. Als lid van het geslacht staat ze in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes spectabilis | Danser, 1928

Nepenthes spectabilis werd in 1928 beschreven door Benedictus Hubertus Danser, in zijn monografie "The Nepenthaceae of the Netherlands Indies" (Bulletin du Jardin Botanique de Buitenzorg). Het typemateriaal (Lörzing 7308) werd op 5 juni 1920 verzameld op de berg Sibajak, op 1800-1900 m hoogte, en ligt in de Bogor Botanical Gardens; isotypen liggen in het Nationaal Herbarium Nederland (Leiden). De berg Sibajak, Sumatra, Indonesië, op 1800-1900 m hoogte. De naam komt van het Latijnse "spectabilis" ("opmerkelijk, zichtbaar") en verwijst naar het opvallende uiterlijk van deze plant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.